Solidariteit

Al wekenlang probeer ik iets op papier te krijgen. Probeer ik me te focussen op het positieve. Probeer ik de tijd die ik nu ineens in overvloed heb te gebruiken voor iets nuttigs. Maar het lukt niet, want ik ben boos.

Boos op de politiek. Boos op China met zijn walgelijke dierenmarkten. Boos op Rutte en Jaap van Dissel met hun onzin over het nieuwe normaal. Boos op de pers met hun hysterische berichten over frontlinies en de extreme crisis die ons te wachten staat. Boos op de curlingmoeders die doen alsof we verschrikkelijke experimenten uitvoeren met hun kroost, omdat de basisscholen weer voorzichtig open mogen. Maar bovenal boos op het volk. Dat iedereen zo in een kramp geschoten is dat we met zijn allen braaf opgehokt zitten toe te kijken terwijl ons land naar de tering wordt geholpen.  

Natuurlijk moeten we de risicogroepen beschermen. Moeten we ervoor zorgen dat de IC-capaciteit niet wordt overschreden. Volgens de politiek kunnen we niet alleen de risicogroep vragen zichzelf te isoleren en is gezondheid belangrijker dan de economie (dat er vrijwel niets gedaan wordt tegen milieuvervuiling – elk jaar goed voor 12.000 doden in Nederland – vind ik dan wel weer bijzonder). Uit solidariteit moeten het met zijn allen doen. Moeten we met zijn allen thuisblijven. Onszelf in een sociaal isolement zetten met alle gevolgen van dien.

Onszelf massaal opsluiten uit solidariteit met de risicogroep is weliswaar een mooi gebaar, maar om nu de hele economie om zeep te helpen uit solidariteit is wellicht iets teveel van het goede. Dan is het totale aantal doden wellicht iets lager, maar zijn er straks geen terrasjes meer om te vieren dat de ellende voorbij is. Zijn er geen theaters en musea meer om naartoe te gaan in onze vrije tijd. Zijn er geen gezellige dorpskernen meer omdat alle kleine ondernemingen kopje onder zijn gegaan.

Kleine ondernemingen die volgens Wiebes ‘in de kern niet gezond zijn’ omdat ze geen tonnen achter de hand hebben om mogelijke pandemieën uit te zitten. Ondernemingen die geen private equity firma’s achter zich hebben. Ondernemingen die het belangrijk vinden dat iedereen in de keten eerlijk betaald krijgt, in plaats van enkel groot geld te verdienen voor de rijken die na elke crisis steevast nog rijker zijn geworden.

Dat miljardenbedrijven als KLM in de problemen zitten is volgens Wiebes dan weer een heel ander verhaal. De mkb’ers krijgen een zakcentje in de vorm van €4000,- maar KLM wordt ‘tegen elke prijs’ overeind gehouden. De Nederlandse vliegtuigbranche stoot immers elk jaar minstens 13 miljard kilo co2 uit en dat moet natuurlijk beloond worden.

Kleine duurzame bedrijfjes moeten omvallen om de grote reuzen overeind te houden. Bevlogen ondernemers die genoegen nemen met een bescheiden salaris – omdat ze het belangrijker vinden dat hun producten op een duurzame en fairtrade manier worden geproduceerd – worden genadeloos opgeofferd. Uit solidariteit. Omdat niet-harkers in de kern toch al niet gezond waren. Nou meneer Wiebes, volgens mij is jouw kern niet gezond.

En dan nog Rutte met zijn belachelijke ‘nieuwe normaal’. ‘Verschillende winkeliers hebben al maatregelen getroffen om toch open te kunnen’ werd er trots verkondigd. Ja. Grote ketens zoals de Bijenkorf, die schaamteloos hun betalingstermijnen excessief verlengen zodat de rekening van deze crisis wederom terecht komt bij de kleine spelers. Deze grote ketens hebben met hun giga-panden de mogelijkheid om zich aan het ‘nieuwe normaal’ aan te passen. Maar de kleine winkeliers? Die mogen maximaal twee of drie mensen tegelijk toelaten wegens hun beperkte aantal vierkante meters. Kunnen ze hiermee de benodigde omzet niet halen? Dan waren ze in de kern vast niet gezond.

En bovendien: als Rutte de zorg niet zo kapotbezuinigd had, hadden we nu een veel minder groot probleem. Dan was er genoeg capaciteit, en voldoende zorgpersoneel om de zieken te verzorgen. In plaats daarvan deelde Rutte liever belastingcadeautjes uit aan multinationals, die nu wederom aankloppen om aanspraak te doen op Nederlandse belastinggelden.

Een buitensporig groot deel van de mkb’ers wordt dus opgeofferd voor de risicogroep. De groep mensen die wegens leeftijd of onderliggend lijden waarschijnlijk toch niet veel tijd meer hadden. De groep waarvan veel leden opgesloten zit in een verzorgingstehuis. In isolatie. Verstoken van sociale contacten. Ondanks alle maatregelen tiert het virus welig in deze verzorgingstehuizen. Je kan je dus af gaan vragen of deze maatregelen eigenlijk wel nut hebben. En bovendien: is het verlengen van de levensduur van deze mensen het wel waard als dit betekent dat ze hun laatste maanden of zelfs jaren moeten doorbrengen in eenzaamheid? Heeft het krampachtig toevoegen van levensjaren nog nut als er van kwaliteit van leven geen sprake meer is?  

Natuurlijk sterven er ook jonge mensen aan het coronavirus. Dat is eng, en verschrikkelijk voor de nabestaanden. Net zo verschrikkelijk als wanneer je vader, moeder, opa of oma overlijdt. Toch moeten we op gegeven moment accepteren dat het risico van de dood bij het leven hoort. Anders kunnen we ook niet meer in de auto stappen, met het vliegtuig gaan of in de bergen wandelen.

Maar dingen in perspectief zien is lastig als de media individuele gevallen extreem blijft uitvergroten. Natuurlijk jaag je daar mensen angst mee aan, maar als je bedenkt dat <0,4% van de bevestigde coronadoden jonger dan 50 jaar was, en minder dan 1% van de besmette mensen boven de 60 daadwerkelijk overlijdt, klinkt het ineens een stuk minder eng.

Uiteraard komt het de politiek goed uit dat de mensen bang zijn. Dan blijven ze immers braaf thuis, en slikken ze alle mededelingen als zoete koek. Dan is er niemand die erop wijst dat er nog steeds amper getest wordt in Nederland, dat de toevoer van beschermingsmiddelen nog steeds niet op orde is, en dat de strategie omtrent groepsimmuniteit een inschattingsfout van astronomische proporties was.

Nee. We blijven allemaal braaf opgehokt zitten. Blijven zonder morren de onzin aanhoren over het ‘nieuwe normaal’ en de ‘anderhalvemetereconomie’. Blijven braaf herhalen dat we dit samen doen, dat we solidair moeten zijn.

Maar wie is er nu solidair met de kinderen die van de radar verdwenen zijn? Die niet de middelen hebben om thuis te leren en zo een nog grotere achterstand oplopen? Wie is er solidair met de mensen met psychische klachten? Die nu wekenlang in isolatie zitten met hun eigen destructieve gedachten, zonder kans op hulp of een troostende arm om hun schouder? En wie is er solidair met de ondernemers? Die hun hart en ziel in hun bedrijf hebben gestoken en nu machteloos moeten toekijken hoe hun faillissement met rasse schreden nadert?

Verstandig

   Afwezig bestudeer ik mijn gehavende handen terwijl de trein door het Nederlandse landschap raast. Het vel op mijn vingertoppen is grotendeels afgesleten door het scherpe kalksteen van El Chorro en de rug van mijn hand wordt gesierd door een spinnenweb van rode krassen.

   In mijn gedachten reis ik terug naar het kleine Spaanse bergdorpje dat ik met elke minuut in de trein verder achter me laat. Ik denk en Jakob en Arthur, in hun kleine bed in de Renault Kangoo. Aan Billy en Andrea, die hun baan opzegden om een jaar te kunnen klimmen en reizen. Ik denk aan Corneel, die al drie maanden in de uitgestrekte bossen onderaan de rotsen leeft om te ontsnappen aan de hectiek van het westerse bestaan. Ik denk aan de Olive Branch, het gezellige klimmershostel waar de stroom zo vaak uitviel. Waar we gitaar speelden en liedjes zongen terwijl de zon zijn laatste stralen op de oranje rotswanden wierp.

   Ik schrik op uit mijn gedachten als een krakerige stem meedeelt dat we dadelijk station Meppel binnen zullen rijden. Naast me zit een vrouw verwoed op haar laptop te tikken. Ze zucht geïrriteerd als ik aanstalten maak om mijn tas te pakken.

   Op het station word ik opgewacht door Pim. Pim de leraar, die wegens vaste schoolvakanties niet mee kon op klimreis. Pim de verstandige, met een vaste baan en een koophuis in een degelijke wijk in Havelte. Pim de lieverd, de betrouwbare arm om mijn schouder waar ik altijd op kan rekenen. Verwoed probeer ik het gevoel dat ik stik weg te slikken. Na een lange omhelzing kijken we elkaar aan. Ik vraag me af of de afstand die ik tussen ons voel te zien is in mijn ogen.

   Ondertussen zijn we vier weken verder. Het huis in Havelte staat te koop, mijn oma heeft zich drie keer omgedraaid in haar graf en mijn schoonmoeder doet heel erg haar best doen om niet allemaal verwensingen naar mijn hoofd te slingeren.

   Ons nieuwe huisje heeft vier wielen en een ronkende dieselmotor. Daarnaast zal een piepklein studiootje op Terschelling dienen als basiskamp. Ruimte voor een vaatwasser is er niet, evenals plek voor de luxe hoekbank van nog geen jaar oud. Ook de comfortabele boxspring belandt op marktplaats, gevolgd door een assortiment aan kasten, stoelen en elektronische apparaten waarvan ik het nut sowieso nooit echt begrepen heb.

   Met elk item dat verkocht wordt voel ik mezelf lichter worden. Alsof de dwangbuis die ik mezelf heb aangetrokken met elke ademteug iets losser komt te zitten. Ik denk aan al die beslissingen die ik in het verleden maakte. Dingen die ik deed ‘omdat het verstandig was’ of ‘omdat het nou eenmaal zo hoort.’ Al die verstandige beslissingen leiden misschien tot een maatschappelijk geaccepteerd leven, maar wat als je erachter komt dat zo’n leven helemaal niet bij je past? Wat als je erachter komt dat al dat bezit alleen maar ballast is dat tussen jou en je vrijheid instaat? De wereld is als een boek. Als je altijd op dezelfde plek blijft, lees je dan niet eigenlijk maar één pagina?

   Ik kijk om me heen in het almaar leger wordende huis en kan alleen maar opluchting voelen. Dit hoofdstuk in mijn boek is ten einde gekomen. En ik? Ik kan niet wachten om de pagina om te slaan, op zoek naar nieuwe verhalen om de lege bladzijden mee te vullen.

Hersenspinsels

 ‘Ik begrijp hoe de maatschappij werkt en voel mezelf een onderdeel hiervan’ aldus één van de vele stellingen waaraan ik een score moet geven. 1=helemaal mee oneens en 5=helemaal mee eens.

De klok in de hoek tikt zachtjes door, aan de muur hangen kaartjes met motiverende spreuken, en voor me zit de psycholoog afwezig naar haar telefoon te staren. Vandaag is onze laatste afspraak. De online vragenlijst voor me moet aangeven hoe het staat met mijn gesteldheid. Of ik weer zonder begeleiding mag rondzwerven in onze samenleving.

Ik aarzel. Als ik 1 invul, zou de psycholoog dan vaststellen dat het nog steeds niet goed met me gaat? Zou ik dan terug moeten komen, net zolang tot ik me op mijn gemak voel als klein radartje in de grote machine die de Nederlandse maatschappij vormt?

Zuchtend sluit ik een compromis met mezelf en klik op 3: neutraal. Het probleem is niet dat ik de maatschappij niet begrijp. Ik begrijp heel goed hoe de Nederlandse samenleving in elkaar steekt. Wat ik echter niet snap is waarom iedereen braaf het pad blijft volgen dat de politiek al jarenlang voor ons heeft uitgesleten. Is het omdat het makkelijk is? Omdat we het echt willen? Of omdat we zo diep zijn weggezakt in de groeven van het pad dat we er niet meer uit kunnen klimmen?

Hoe je het ook wendt of keert, we leven in een prestatiemaatschappij waarin succes wordt bepaald door status en bezit. Een groot huis, een dure auto en een prestigieuze titel als het even kan. Elke maand gaan we braaf kromliggen om de prijs van deze successen te kunnen betalen. Omdat het zo hoort, omdat het nou eenmaal zo werkt.

Maar is dat wel zo?

Steeds vaker komen er verhalen naar boven van mensen die het anders doen, die het materialisme vaarwel zeggen en ruimte maken voor dingen die ze echt belangrijk vinden. De tiny-house beweging is hier een goed voorbeeld van, maar helaas komt dit initiatief tergend langzaam van de grond.

Als je het vertikt om maandelijks gebukt te gaan onder hoge huurprijzen of hypotheeklasten wordt je al gauw de illegaliteit in gedrukt. In Nederland ben je vrij, maar alleen als je je conformeert aan de dwangbuis van de hedendaagse samenleving. Als je een alternatief hebt gevonden dat wel bij je past (bijvoorbeeld het wonen in een bus, om maar iets te noemen), loop je al gauw tegen verschillende problemen aan. Zoals de verplichting om een adres te hebben. Zonder adres vervalt op gegeven moment je stemrecht en kan zelfs je zorgverzekering stopgezet worden. Zelfs als je al die jaren braaf betaald hebt. Nederland zit niet te wachten op mensen die buiten de lijntjes kleuren.

Ik merk dat ik nog steeds naar het scherm zit te staren, verzonken in mijn innerlijke monoloog (is dat wel normaal?). Plotseling overtuigd wis ik mijn antwoord en vervang het door 1: Helemaal mee oneens. Ik voel mij niet thuis in deze maatschappij. Niet in een maatschappij waarin mensen zich over de kop werken om maar te voldoen aan alle verwachtingen. Niet in een maatschappij waarin je je moet ketenen aan een adres en de bijkomende lasten, ‘omdat het zo hoort’. Ik ga mijn best doen om uit de groeven van het uitgesleten pad te klimmen, en dat klimmen? Laat ik daar nou juist heel goed in zijn.

De geschiedenis van de knuffelpenis

In het stukje ‘over mij’ heb ik het over een knuffelpenis. Frodo en haar knuffelpenis om precies te zijn. Kennissen met een psychologenachtergrond verwonderden zich over dit verhaal. Symboliseerde de knuffelpenis een groot gemis in mijn leven? Of bevond ik me misschien in een vergevorderd stadium van penisnijd?

Helaas moet ik jullie vertellen dat geen van deze gevallen van toepassing zijn. Alhoewel het me in sommige gevallen verdomd handig lijkt om staand te kunnen plassen, ervaar ik het niet hebben van zo’n bungelend ding tussen mijn benen niet echt als een probleem in mijn dagelijkse leven. Ook op persoonlijk vlak heb ik niet echt behoefte aan extra piemels. Ook al schijnt polygamie in opkomst te zijn, het lijkt mij alleen maar heel erg ingewikkeld. Dat heeft op zich niet zozeer te maken met de geslachtsdelen zelf, meer met de man en bijbehorende persoonlijkheid die doorgaans aan zo’n penis vast zit. Maar ik dwaal af.

De historie van de knuffelpenis begint in het jaar 2008. Op 17 september om precies te zijn. De heer Pim V. vierde op deze dag zijn 18e verjaardag. Nu was hij niet meer kleine Pimmetje, maar een volwassen man. Uiteraard moest dit heugelijke feit gevierd worden met cadeautjes. In dit geval een enorme knuffelpenis en een selectie bijpassende natuurfilms.

We kunnen enkel gissen naar de omzwervingen die de knuffelpenis daarna heeft gemaakt. Wat we wel weten is dat hij zich elf jaar later ineens in een doos in onze hal bevond. De vader van Pim was zijn huis aan het opruimen, en kwam daarbij nog enkele attributen uit Pim’s verleden tegen. Enthousiast pakte Pim het grote roze ding op en trok aan het vergeelde koordje dat aan de onderkant bungelde. ‘Aw, vroeger trilde hij nog’ merkte hij teleurgesteld op waarna hij het lid weer in de doos deponeerde.

Frodo en haar trouwe vriend

Frodo sloeg het hele gebeuren geïnteresseerd gade en keek met glinsterende oogjes naar het topje van het knuffelapparaat dat nog net zichtbaar was. Voorzichtig zette ze haar puppytandjes erin en trok hem met een ferme ruk uit de doos. De rest van de middag heeft ze dolenthousiast door het huis gerend. De knuffelpenis stuiterde vrolijk achter haar aan.

Sindsdien waren Frodo en de knuffelpenis onafscheidelijk. Overal moest hij mee naartoe. Elke ochtend duwde ze het ding liefdevol in mijn gezicht als ik mijn koffie probeerde te drinken. Hij moest mee met onze wandelingen, er moest mee gegooid worden. Met een uitgestreken gezicht probeerde ik dan de verbaasde blikken van voorbijgangers te negeren terwijl ik het lid met een grote boog door de lucht zwiepte.

Helaas waren deze wandelingen ook de laatste hoogtepunten voor de knuffelpenis. Zijn zachte stof bleek namelijk niet bestand tegen Frodo haar scherpe tandjes. Na enkele weken begon hij te scheuren en verspreidde de vulling witte pluizige wolkjes op het tapijt. Pim, die al meerdere kapotgescheurde hondenspeeltjes gerepareerd had, constateerde met een zucht dat Frodo’s trouwe vriend niet meer te naaien was. De geschiedenis van de knuffelpenis heeft dus een vrij tragische afloop. Hoewel hij zich vrij lang staande heeft gehouden, eindigde hij toch, samen met Frodo’s andere slachtoffers, in de kliko.

Gelukkig heeft Frodo geen problemen met polygamie. Ze heeft ondertussen de liefde verklaard aan beertje, groen konijn, kaas, en haar laatste aanwinst: eend. Lang heeft ze dus niet getreurd om het verlies van de knuffelpenis, er staat immers altijd wel weer een nieuw vriendje in de rij waar ze haar tanden in kan zetten. Heeft ze ze allemaal verslonden? Dan zoekt ze gewoon een nieuw vriendje uit bij de intratuin. Het leven kan zo simpel zijn.

Koffie, spleetklimmen en een rochelende bus

Morrend doe ik mijn ogen open en steek ik mijn hoofd uit mijn dikke donzen slaapzak. Mijn adem vormt wolkjes en op het raam van mijn camperbusje zie ik kleine ijskristallen. Even overweeg ik om te blijven liggen in mijn warme coconnetje, maar zoals elke ochtend begint mijn brein meteen te schreeuwen om cafeïne.

   In het vroege ochtendlicht bekijk ik de chaos op het bedbankje. Ik vind mijn versleten wollen trui tussen de karabiners, klimsetjes en de klimgordel die ik de vorige avond gedachteloos heb neergesmeten. Terwijl ik aan het rommelen ben met de cafetière hoor ik vlak naast mijn busje een rits opengaan. De geur van koffie heeft Cesar uit zijn tent gelokt.

   Niet veel later parkeer ik de rochelende Volkswagen op de parkeerplaats bij het klimgebied. We zijn vandaag bij de sector Kottenheimer Winfeld, nabij het Duitse plaatsje Ettringen. De zon schijnt en de ijskristallen zijn gesmolten. Het felle licht wordt gefilterd door de kruinen van de oude eikenbomen en werpt een groene waas over het verder verlaten parkeerterrein. Nadat we ons materiaal bij elkaar hebben gezocht verdwijnen we tussen de bladeren. Op zoek naar het beloofde land, in de vorm van metershoog ruw basalt.

    Na een korte wandeling staan we voor ons project van die dag. Eén perfecte rotsspleet loopt verticaal naar boven, ernaast bevinden zich enkele kleine randjes die mogelijk als voet- of handgreepjes kunnen dienen.

   Grijnzend kijk ik Cesar aan, en vraag me af of de twinkeling in zijn ogen ook in de mijne te zien is.

   ‘Dat ziet er hard uit.’

   ‘Ja, mooie spleet.’

   ‘Die randjes lijken me ook best naar.’

   ‘Inderdaad, lekker sketchy allemaal zo te zien.’

Weer die pretoogjes van hem.

   ‘Jij eerst of ik?’

   Daar sta ik dan. Mijn rechtervoet heeft zich vastgedraaid in de spleet, terwijl de vingers van mijn linkerhand hun uiterste best doen om een messcherp randje vast te houden. Ik kijk naar beneden, mijn laatste zekerpunt zit zo’n vier meter onder me. Zat die cam[1] nou goed of niet? Hij leek goed vast te zitten, maar ik betwijfel of hij een val van minstens acht meter zal houden.

   Ik voel een bekende kriebel in mijn borst, een kriebel die al mijn spieren op spanning zet. Alsof al mijn zintuigen in de hoogste versnelling staan. Elke trillende spier, elk zenuwuiteinde, alles voel ik terwijl ik verwoed probeer een volgende cam in de rots te plaatsen.

   ‘Neee f*ck. Deze past niet. K(*&%$W#T. Waarom doe ik dit. Ik haat mezelf. Mijn voet glijdt weg, ik hou dit niet meer. BLIJF ZITTEN KRENG.’

   Eindelijk heb ik de goede maat gevonden, en grijpen de randen van de zekering zich vast in de rots. Ik clip het touw in de snapper[2] en probeer mijn ademhaling weer onder controle te krijgen. De angst is weer geslonken tot een kleine bal in mijn borst. Waar ik hem kan relativeren, weg kan stoppen. Waar ik niet naar hem hoef te luisteren.

   Want is dat niet waarom ik klim? Waarom ik de uiterst nutteloze kunst beoefen van het bestijgen van een stuk steen? Gewoon naar boven is niet genoeg. Nee. Het moet via de moeilijkst mogelijke weg, via de meest onwaarschijnlijke uitstulpingen in de rots, die voor een leek nauwelijks waarneembaar zijn.

   Klimmen dwingt me in het hier en nu. In een wereld waarin alle comfort mijn zintuigen heeft afgestompt, een wereld die geregeerd wordt door bliepjes en schermpjes, klim ik om mezelf terug te vinden. Om de verbinding met mijn lichaam te herstellen. Ik kijk de angst in de ogen, en overwin hem, overwin mezelf. Elke keer opnieuw.    

   Eenmaal boven clip ik het touw vast aan de standplaats. Mijn hoofd is leeg. De innerlijke storm is gaan liggen. Een merel zingt in de boom achter me, en ik kijk naar de schaduwen van dansende bladeren op mijn armen.

   ‘Blok!’ roep ik naar beneden.

 Weer op de grond krijg ik een fist-bump van een breed grijnzende Cesar.

‘Sterk meid! Zag er goed uit.’

    ‘Dank je, was wel even spannend daarboven.’

   ‘Dat kon ik zien ja. Trouwens, ik zat naar die route hiernaast te kijken. Een 7a volgens mij. Wat denk je?’

Ik voel mijn mondhoeken omkrullen tot een glimlach.

   ‘Jij eerst of ik?’  


[1] Mobiele zekering die gebruikt wordt bij rotsklimmen.

[2] Soort karabiner.

Wat betekent klimmen (of een andere sport) voor jou? Laten het weten in een reactie!

Verstand, instinct en hitsige puppies

‘Dat er zoveel poep uit zo’n klein beestje kan komen’ denk ik verwonderd terwijl Frodo met een gelukzalige blik in haar ogen een grote hoop aan het draaien is. Midden op het zebrapad. Aarzelend blijf ik staan, de naar citroen geurende poepzak in mijn hand. Van twee kanten beginnen auto’s te toeteren, en de langslopende toeristen kijken me misprijzend aan terwijl ze zorgvuldig hun rolkoffertjes om de hoop heen manoeuvreren.  

Met een rood hoofd probeer ik snel zoveel mogelijk poep in het plastic zakje te krijgen. Mijn te lange haar (ik moet toch echt eens naar de kapper) valt voor mijn ogen en komt gevaarlijk dicht bij de dampende bruine massa. Frodo heeft ondertussen een chocoladebruine labrador gespot en begint aan de lijn te trekken. De kleine Zweedse herder is loops en wil maar één ding. Enkele weken geleden was het nog een onschuldige puppy. Nu begint ze vol overgave te twerken bij iedere hond die langskomt. Kont omhoog, staart opzij. Van subtiliteit is geen sprake.

Terwijl ik de poepzak dichtknoop en tegelijkertijd probeer te verhinderen dat Frodo de labrador (die een teefje blijkt te zijn) verder aanrandt, bedenk ik me dat ik nog veel kan leren van mijn viervoetige vriendinnetje. Niet dat ik nu willekeurige mensen ga bespringen op straat, of een grote hoop ga draaien op het zebrapad, maar wat betreft haar instinct zou ik een voorbeeld aan Frodo kunnen nemen.

Frodo weet namelijk precies wat ze wil. Of het nou gaat om  eten, poepen of de chocoladebruine labrador. Ik wandel ondertussen 28 jaar rond op deze wereld, en ik heb nog steeds geen flauw idee wat ik hier eigenlijk doe.

Volgens Nietzsche is het ons verstand dat ervoor zorgt dat we ons instinct negeren. Aangezien we ons in de moderne westerse samenleving niet meer druk hoeven te maken over hongerige beren, hongersnoden en ijstijden, heeft ons verstand de overhand gekregen. Ons verstand heeft ons als doel gesteld om gelukkig te zijn, maar aangezien ‘geluk’ geen afgebakend iets is blijven we zoeken. Ik in ieder geval wel. Ik betrap me erop dat ik steeds denk; ben ik nu gelukkig? En nu dan? En nu dan?

In mijn zoektocht naar geluk ben ik zo aan het piekeren of ik het wel goed doe, of ik wel op de goede weg ben, dat ik vergeet om gewoon te leven. Om te luisteren naar mijn onderbewuste, ongeacht wat mijn verstand daarvan vindt. Geleefd door een maalstroom van gedachten zie ik niet meer wat echt belangrijk is. Zoals familie, een lieve vriend, en op dit moment een hyperactieve puppy die alles aanrandt wat op vier poten loopt.

Nog steeds in gedachten verzonken veeg ik een lok haar uit mijn gezicht. Te laat besef ik dat ik de volle poepzak nog in mijn hand heb, en terwijl de in plastic verpakte drol langs mijn gezicht strijkt besef ik: poepzakjes met citroengeur zijn de meest nutteloze investering aller tijden.  

Column: Ballen

Waarom massale castratie de oplossing is voor het stikstofprobleem.

‘Al het leven is door god geschapen, en moet gekoesterd en beschermd worden.’ Aldus Truus in haar emotionele ingezonden brief aan de Leeuwarder Courant. Dankbaar was ze, dat de Pro-life beweging actief zieltjes aan het winnen was, en dat Thierry Baudet er openlijk voor uitkwam dat de vrouw eigenlijk gewoon een wandelende broedmachine is die achter het aanrecht hoort. Truus wil al die broedsels graag beschermen, want al die wurmpjes zijn kinderen van God. Wat God heeft gemaakt mag niet gedood worden, aldus Truus, de Pro-life beweging en Baudet. Dat deze godvrezende mensen er geen problemen mee hebben om vlees te eten vind ik dan wel weer bijzonder.

Een verbod op abortus vind ik prima, er is namelijk een simpele oplossing: een verplichte vasectomie voor de mannelijke bevolking in vruchtbare leeftijd. Een simpele ingreep, die ook nog eens makkelijk te herstellen is mocht de kinderwens daar zijn.

Ik zie het helemaal voor me: geen stinkende rubbertjes meer die kunnen knappen, geen noodzaak om dagelijks hormoonpillen te slikken en geen spiralen die in baarmoeders gedouwd hoeven te worden.

Nu de Pro-lifers niet meer hoeven te posten bij abortusklinieken kunnen ze zich vol overgave storten op het vegetarische diëet, kan de veestapel gehalveerd worden en zijn de stikstofproblemen ook meteen de wereld uit. En dan nog de woningnood! Minder (ongewenste) kinderen die vroegtijdig het huis uit moeten, geen huismelkpraktijken meer en meneer Haga die weer rustig op zijn Zetel mag plaatsnemen. Ik denk dat ik een nieuwe politieke partij ga oprichten. Partij KNIP.

Of misschien moet ik de zware taak op me nemen om al die zaadleiders door te knippen, daar ben ik nog niet helemaal over uit.

In ieder geval hoeven we ons geen zorgen meer te maken over een Thierry Junior, ervan uitgaande dat geen vrouw zich vrijwillig zal laten bezwangeren door Baudet. De heide kan weer vrolijk groeien op de Veluwe, en Truus kan weer rustig slapen. Alles met een klein, simpel knipje.

Maar wat hoor ik nu meneer Baudet; U wilt zeggenschap over uw eigen lijf en vindt dat de overheid die keuze niet voor u mag maken?