Een stap terug om vooruit te kunnen

Zoals velen van jullie ondertussen weten wonen Pim  en ik klein, heel erg klein. Op zo’n 25 vierkante meter om precies te zijn. Wie nu een schattige tiny house voor zich ziet, ergens op een idyllische locatie omringd door biologische moestuinen, bossen en weilanden moet ik helaas uit de droom helpen. Ons kleine huurstudiootje bevindt zich op twee hoog in een klein appartementencomplex aan de haven van West-Terschelling. Het enige idyllische aan onze woonruimte is het uitzicht, en dat is werkelijk fantastisch.

Bijna elke ochtend zie ik de zon opkomen boven de Waddenzee. Dan zit ik met mijn kopje koffie in de vensterbank te kijken hoe de lucht verandert in een kleurenspel van diepblauw, roze en oranje. Op heldere dagen kunnen we vrijwel de hele kust van Friesland ontwaren, inclusief rookpluimen en miniatuurwindmolens.

Als het donker is markeren de rode en groene lichtjes van de boeien de vaarroutes over de Waddenzee, en werpt de Brandaris elke 5 seconden een baan licht over de grote watermassa die zich voor ons raam uitstrekt. Af en toe worden we ’s nachts wakker geschud door de ronkende motoren van de reddingboot of één van de bergingsbootjes die vlak voor ons gebouw aanleggen. Dan realiseren we ons dat er iemand naar het ziekenhuis moet, of dat er ergens op zee een schip hulp nodig heeft van de bergingsmaatschappij.

Maar hoe groots ons uitzicht ook is, ook zijn er tal van kleine ergernissen en problemen waar je tegenaan loopt als je met twee volwassenen en een eigenwijze hond op 25 vierkante meter moet leven.

Zo is het om te beginnen altijd een chaos in ons studiootje. Doordat de helft van de muren schuin zijn is er namelijk maar tegen één wand ruimte voor een kast. Deze kast, zo’n Ikea vakkenkast, doet dienst als kledingkast, boekenkast, drankkast en klimmateriaal-opbergkast. Nu denk je misschien dat we mega-georganiseerd zijn aangezien we zoveel zooi in die kast weten te krijgen, maar niets is minder waar (nouja, Pim is redelijk georganiseerd, ik ben een enorme chaoot). Mijn manier van opruimen bestaat voornamelijk uit mandjes uit de kast trekken om erachter te komen waar nog een vierkante centimeter beschikbare ruimte te vinden is. Het resultaat hiervan is dat mijn telefoonoplader ergens tussen mijn ondergoed ligt, de Whisky tussen de klimtopo’s staat en de helft van mijn kleding in een kratje gepropt zit samen met gasbranders, magnesium en een set schroevendraaiers.

De spullen die niet in deze kast passen liggen verspreid door de ruimte, voornamelijk op het keukenbarretje dat tevens dienstdoet als chemisch laboratorium, werkplek en surfplank-repareer-werkbank.     

Daarnaast levert het gebrek aan buitenruimte ook enige ongemakken op. Zo hebben we bijvoorbeeld geen ruimte om onze natte wetsuits te laten drogen. Deze hangen noodgedwongen in de douche, vanwaar ze gestaag de penetrante geur van nat neopreen door onze woonruimte verspreiden. Deze geur vermengt zich vervolgens met putlucht, afkomstig uit het niet-functionerende doucheputje, en etensluchten uit onze keuken-zonder-afzuigkap. Alles bij elkaar vormt dit een bijzonder geurenpalet dat ik alleen maar kan omschrijven als: bijzonder muf.

‘Ja maar, dan zet je toch gewoon een raam open?’ hoor ik je denken, maar daar zit nou juist het probleem. Het raam van onze keuken-zonder-afzuigkap wil namelijk maar een heel klein stukje open aangezien de kraan in de weg zit. Het raam aan de voorzijde, dat uitkijkt over de Waddenzee, kan eveneens maar een klein stukje open. Bovendien betekent ‘aan zee wonen’ dat je vaker wel dan niet te maken hebt met een wind van windkracht 6 of hoger die, in ons geval, pal op het raam staat. Door dit raam open te zetten creëer je niet een vlaagje tocht, maar een heuse indoor tornado waar je krullen recht overeind van gaan staan.

Klein wonen is dus niet alleen maar idylle, romantiek en biologische moestuinen, zoals de tiny house beweging je wilt doen geloven. Toch heb ik geen moment spijt gehad van de beslissing om onze ruime twee-onder-een-kapwoning op te geven om klein te gaan wonen op mijn thuiseiland. In het grote huis in Havelte voelde ik me verloren, alsof mijn leven een weg ingestuurd werd die me steeds verder bij mezelf vandaan bracht. Verhuizen naar een micro-appartement lijkt voor velen misschien een flinke stap terug op de maatschappelijke ladder, maar voor mij voelt het als een stap dichter naar mezelf. Hier op het eiland kan ik weer ademen (zelfs omgeven door het bijzonder muffe geurenpalet) en voel ik me – ondanks alle coronamaatregelen- vrijer dan ooit. Ik kan alleen maar dromen over hoe fantastisch het dan wel niet moet zijn als we straks weer mogen reizen, klimmen en op het terras van de zon mogen genieten.

Toch betekent dit niet dat we eeuwig in ons kleine studiootje blijven wonen. Sterker nog, we gaan in het voorjaar verhuizen naar een plekje iets verderop in het dorp. Dit huisje is nog steeds klein, maar heeft een afzuigkap (jeej!), ramen die open kunnen (jeej!) en een tuin (driedubbel jeej!).

Natuurlijk gaan we ook in dit huisje tegen imperfecties aanlopen, maar dat is oké. Het leven is namelijk nooit perfect, en dat is precies zoals het zou moeten zijn. Want de imperfecties in het leven houden ons in beweging. Zorgen ervoor dat we blijven vernieuwen, ontdekken en uitproberen. Soms pakt dit goed uit, soms iets minder. Daar kunnen we dan van leren zodat we nieuwe stappen kunnen zetten. Of een stapje terug, want soms moeten we een stap terug doen om vooruit te kunnen. 

Wonen op 25 m2 in tijden van corona

Begin dit jaar schreef ik over vrijheid. Over klein wonen en groots leven. Over het vaarwel zeggen van zekerheden om meer te kunnen reizen. We verkochten ons huis in Havelte, Pim zou na de zomervakantie stoppen met zijn baan als leraar en een klein studiootje op Terschelling zou gaan fungeren als thuisbasis. Een veilige haven waar we naar terug zouden keren tussen het reizen en klimmen door.

Toen kwam Corona, gingen de grenzen dicht en verdween mijn jaarinkomen als sneeuw voor de zon. Vrijheden werden verder ingeperkt dan ooit, zonder dat er zicht was op verbetering. Geen licht aan het einde van de tunnel, geen wolk met een zilver randje.

In een staat van lichte paniek gooiden we de meest essentiële spullen in mijn roestige bus en vertrokken we naar het eiland. Wat een rustige overgang zou zijn naar ons nieuwe leven veranderde in een gehaaste vlucht.

Het verhuizen zelf was zo klaar, veel plek voor meubels heb je immers niet in een studiootje van 25 vierkante meter. De versleten meubels uit mijn studententijd bleken meer geschikt voor ons nieuwe leven dan de meubels uit Havelte, en zo kwam het dat onze luxueuze boxspring vervangen werd door mijn oude Ikea uitschuifbed, de grote hoekbank plaatsmaakte voor een compacte tweezitter, en de kledingkast überhaupt helemaal achterbleef. De weinige kledingstukken die we meenamen propten we in manden en laden, overal waar plek was eigenlijk. 

Op mijn verjaardag ging de ‘intelligente lockdown’ in. Dit betekende onder andere dat Pim ging lesgeven vanuit huis. Voor een normaal huishouden brengt dit al enige uitdagingen met zich mee, maar als je met twee personen (en een eigenwijze hond) leeft, kookt en slaapt in één kleine ruimte wordt het helemaal ingewikkeld. De gemiddelde doordeweekse dag zag er ongeveer uit als volgt:

Elke ochtend om zeven uur werden we gewekt door de veerboot. De loeiende scheepshoorn was voor Frodo hét signaal dat ze op ons bed mocht springen (iets wat ze zelf had verzonnen). Pim probeerde eerst nog de ‘Frodo-mag-niet-op-het-bed-regel’ te handhaven, maar stiekem vond ik het wel vrolijk wakker worden. Na enkele minuten geknuffeld te hebben gingen we uit bed en stapelden we de twee losse matrassen op. Vervolgens konden we het bed inschuiven om iets meer ruimte te creëren.

Als ik terugkwam van mijn ochtendwandeling met Frodo zat Pim meestal al achter zijn computer. Via vele verschillende schermpjes kon hij zijn leerlingen in de gaten houden en andersom. Dit hield in dat onze kleine studio, naast keuken, slaapkamer en woonkamer, nu ook ineens fungeerde als klaslokaal. Iets waar Pim me meerdere keren paniekerig aan moest herinneren als ik weer eens halfnaakt door de kamer liep.

Net als vele anderen had ik door de lockdown ineens veel meer vrije tijd dan normaal. Waar andere mensen gingen klussen, Netflixen of brood bakken, stortte ik me op mijn klimtraining om mijn constant malende brein tot rust te brengen. Het fenomeen ‘coronakilo’s’ was mij dan ook volkomen vreemd. Probleem was echter wel dat ook mijn klimtraining zich afspeelde in onze woonkamer annex slaapkamer, keuken en klaslokaal.

Meestal bestond mijn warming-up uit enkele yoga oefeningen. Terwijl ik uit het zicht van de webcam mijn innerlijke rust probeerde te vinden in de ‘downward facing dog’ pose deed Frodo steevast haar uiterste best om mijn neus op te eten. Aangezien rustig ademhalen nogal lastig is als er een hondentong in je neus zit gaf ik mijn pogingen om mijn chakra’s te balanceren vaak al snel op.

Vervolgens was het tijd voor pull-up training. Vlak naast Pim zijn werkplek (het kleine uitschuifbare eettafeltje) hadden we een provisorische trainingsplek gemaakt waar we het hangbord hadden opgehangen. Terwijl arme Pim met een uitgestreken gezicht het verschil tussen zuren en basen probeerde uit te leggen aan een stel verveelde pubers deed ik mijn best om me – zonder geluid te maken – zo vaak mogelijk op te trekken in twee minuten. Frodo probeerde tegelijkertijd vrolijk in mijn voeten te happen, zo hielden we elkaar een beetje bezig. Als Frodo genoeg kreeg van dit spelletje nestelde ze zich in de vensterbank, of bestudeerde ze de verschillende bloempotten om te kijken tussen welke jonge plantjes ze haar kluifje nu eens zou begraven (de paprikaplantjes hebben dit helaas niet overleefd).     

Aan het einde van de dag waren we beiden meestal doodop. Pim van het thuiswerken, ik van mijn pogingen om mijn op hol geslagen brein tot rust te brengen. Dan gingen we op de pier zitten, staarden we voor ons uit met een biertje in de hand, terwijl de Waddenzee zachtjes tegen de stenen klotste.

Het was chaotisch, het is nog steeds chaotisch. Maar het is onze eigen chaos, en alhoewel we heel veel ruimte hebben ingeleverd, hebben we er een enorme rijkdom voor teruggekregen. Rijkdom in tijd, en rijkdom in ervaringen. Toen bleek dat zelfs mijn minimale inkomen genoeg was om van rond te komen zakte de paniek en leerden we langzaamaan de chaos omarmen.

Nooit eerder heb ik zo veel met Frodo door de duinen gerend. Nooit eerder heb ik zoveel gezwommen en gesurft in de Noordzee. Nooit eerder heb ik zoveel zonsondergangen gezien, met het warme zand van het Groene strand onder mijn blote voeten.

Er is nog steeds corona, mijn inkomen is nog steeds instabiel, en de grenzen zijn nog steeds zo goed als dicht. Toch voel ik me rijker dan ooit. Vrijer dan ooit. Er zijn veel onzekerheden in ons leven, en dat is precies zoals ik het hebben wil. Want waar zekerheden verdwijnen, ontstaan mogelijkheden.  

Vrouwen surfen niet in de winter

   ‘Vrouwen surfen niet in de winter’ antwoordt de verkoper van de watersportwinkel, met een uitdrukking alsof dit algemene kennis was waarvan ik simpelweg nog niet op de hoogte was. Verontwaardigd kijk ik hem aan. Vrouwen surfen niet in de winter? Nogal wiedes als er geen fatsoenlijke winterwetsuits voor dames te krijgen zijn, mopper ik inwendig.

   Ondertussen sneupt Pim, die nog nooit gesurft heeft, enthousiast door het ruime aanbod herenwetsuits en -surfschoenen. De keuze is reuze: flexibele wetsuits voor in de zomer, meerdere shorties en dikke hooded wetsuits voor in de winter. Met meerdere kanshebbers over zijn arm verdwijnt hij het pashok in en laat mij achter bij de verkoper, die zich zo te zien ietwat ongemakkelijk begint te voelen. 

   ‘Misschien kan ik wel wat bestellen’, oppert hij met weinig enthousiasme, ‘maar dan heb je wel afnameplicht’. Een weinig aantrekkelijk aanbod, wetende dat het vinden van een goed passende wetsuit nogal een uitdaging is, helemaal als je -voor een vrouw- relatief brede schouders hebt door het vele sportklimmen.

   ‘Laat maar’ reageer ik, ‘dan ga ik zelf wel op zoek op het internet’. Opgelucht draait de verkoper zich om en richt zich op Pim die, gehuld in zwart neopreen, het pashokje uit komt wandelen.

   Niet veel later lopen we de winkel weer uit. Pim met een volwaardige surfoutfit, ik met lege handen en een hoofd vol frustraties. ‘Helemaal klaar voor de winter!’ roept de verkoper ons nog na, ‘Veel surfplezier!’

   Als ik later die middag online op zoek ben valt het me wederom op hoe gering het aanbod voor dames eigenlijk is. (Dit beperkt zich trouwens niet alleen tot winterwetsuits, wie op zoek is naar technische klimschoentjes in maat 37 stuit op exact hetzelfde probleem.)

Nadat ik, na lang zoeken, een paar opties gevonden heb dient het volgende probleem zich aan: het gemiddelde winterpak kost zo’n 300 euro. Als je een paar verschillende wil proberen ben je dus al gauw meer dan duizend euro kwijt. Aangezien ik helaas niet beschik over zo’n royale bankrekening zit er niks anders op dan eerst maar eens één pak te bestellen. Zorgvuldig bestudeer ik de maattabel en na veel gemeet bestel ik, op hoop van zegen, een wetsuit waarvan ik hoop dat hij past.

   Een kleine week later ligt het pakket voor mijn deur. Vol goede moed wurm ik me in het dikke neopreen. Tot aan mijn middel gaat het goed. Maar dan.. die schouders. Met veel moeite lukt het me mijn armen en vervolgens mijn schouders in het pak te hijsen. De rits durf ik niet eens dicht te doen, het voelt nu al alsof mijn bovenlichaam vastzit in een bankschroef. Het pak weer uitkrijgen blijkt een nóg grotere opgaaf te zijn. Veel geworstel, gezweet en een kleine paniekaanval later heb ik mezelf eindelijk bevrijd. Die gaat terug, mompel ik in mezelf terwijl ik een boze blik werp op het hoopje neopreen.

   In de retourvoorwaarden lees ik dat het zo’n drie weken kan duren voordat het geld terug wordt gestort op mijn rekening. Me ervan bewust dat ik dit ritueel waarschijnlijk meerdere keren moet herhalen voordat ik iets vind dat past breng ik het pakket naar het postkantoor. Eerst maar eens wachten tot ik het geld terug heb, daarna begint mijn zoektocht weer van voor af aan.

   Ondertussen worden de dagen korter, het water kouder en de golven hoger. En surf ik verder. In mijn zomerwetsuit. Loop ik gehuld in een dun laagje neopreen over het strand terwijl de wind aan mijn haren rukt. Stort ik mezelf in de koude herfstgolven van de Noordzee, omdat die nou eenmaal veel mooier zijn dan die in de zomer. Samen met mijn twee trouwe surfmaatjes. Twee vrouwen om precies te zijn. Jeweetwel, van die tere wezentjes, die niet surfen in de winter.

Gezond verstand

Gisteren werden de nieuwe coronamaatregelen gepresenteerd. Maatregelen die we allemaal konden zien aankomen, iedereen die kan tellen snapt immers dat het de laatste tijd niet de goede kant op ging met de cijfers. In het voorjaar maakte ik me nog kwaad over de gedwongen sluitingen en de -in mijn ogen- nutteloze looproutes, markeringen en schreeuwerige borden die overal verschenen. Wij Nederlanders werden zwaar onderschat door onze regering vond ik. We hebben toch allemaal een gezond verstand, kunnen heus wel inschatten wat anderhalve meter is en hebben toch geen boa’s nodig om ons te vertellen dat we niet knus met twaalf man aan één tafel kunnen zitten?

Na deze zomer op Terschelling moet ik helaas terugkomen op mijn eerdere standpunt. In tegenstelling tot wat ik dacht beschikt een groot deel van de Nederlanders helemaal niet over een gezond verstand. Of anders vervliegt vrijwel alle intelligentie zodra deze landgenoten van de veerboot afstappen, samen met alle kennis van verkeersregels.

Het begint al op het haventerrein. De eilander rederij doet er alles aan om de toeristenstromen in goede banen te leiden, maar het mag niet baten. Blind voor alle borden, lichtzuilen en personeelsleden die tevergeefs proberen de mensen afstand te laten houden verplaatsen de toeristen zich in opeengepakte troepen over het haventerrein. Een groepje eerder gearriveerde gasten vond het havenplein bovendien dé plek bij uitstek om een potje te gaan volleyballen. Verbaasd kijken ze op als er ineens hordes toeristen met rolkoffertjes hun spelletje komen verstoren.

Even verderop op de Willem Barentszkade is een heuse file ontstaan, een zeldzaam gezicht op Terschelling. Terwijl ik me zo snel mogelijk tussen de wachtende mensen en auto’s door probeer te manoeuvreren wordt al snel duidelijk waarom.

Midden op de weg proberen 6 volwassen toeristen zich in een netjes gerestaureerde Suzuki Samurai te proppen. (Voor wie dit model niet kent: hij is kleiner dan de gemiddelde Fiat Panda.) Nu lijkt me dit gezien de verkeersveiligheid in geen enkel geval een goed idee, en in coronatijden al helemaal niet. Na veel acrobatische toeren lukt het de laatste toerist om zich over de drie mensen op te achterbank te draperen. Met één been uit het raam lukt het nog net om het autodeurtje dicht te krijgen waarna de lange rij auto’s langzaam weer in beweging komt.

Me nog verwonderend over het Samurai tafereel haast ik me langs een jong stel met Louis Vuitton koffers die zich verontwaardigd afvragen waar de kruiers zich verstopt hebben. Dan ben ik vrij. Zigzaggend door de pittoreske smalle straatjes van Oud West loop ik naar mijn minuscule appartementje, op zoek naar een zeldzaam moment van rust in deze bizarre tijden.

Begrijp me niet verkeerd, ik – en vele eilanders met mij – zijn enorm dankbaar dat we deze zomer zoveel toeristen hebben mogen ontvangen (ook hele leuke!). Vrijwel alle ondernemingen zijn afhankelijk van het toerisme en de paniek was dan ook groot toen in het voorjaar alles stil kwam te liggen.

Waar we echter geen rekening mee hadden gehouden was dat een deel van de vakantiegangers meende dat ze zich in hun vakantie niet meer aan de regels hoefden te houden. Zodra ze van de boot afstapten werd de anderhalve meter overboord gegooid, kon men ineens niet meer tellen en werd men doof en blind voor de instructies en oproepen van de eilander ondernemers.

Ook de maatregel ‘in je eentje boodschappen doen’ was zeer moeilijk te bevatten voor veel families. Nadat de plaatselijke supermarkten genoodzaakt waren om beveiliging bij de deur neer te zetten bedachten gezinsleden snode plannetjes om alsnog met zijn allen naar binnen te kunnen om vervolgens voor het zuivelschap een half uur te discussiëren over welk stukje kaas ze zouden kopen. Supermarktmedewerkers die de gezinnen erop attendeerden dat dit niet de bedoeling was konden rekenen op vuile blikken en heftige discussies.   

Natuurlijk snap ik dat we allemaal behoefte hebben om alles even te vergeten. Dat we allemaal even zorgeloos willen genieten van de illusie van vrijheid. Dat we even gezellig met zijn allen op een terrasje willen zitten alsof er niks aan de hand is. En ach, zo in de buitenlucht maakt die anderhalve meter ook niet zoveel uit toch?

Wij als eilander ondernemers snappen dat heel goed, we staan niet voor niets bekend om onze gastvrijheid. Maar terwijl het grootste deel van de toeristen weer huiswaarts keert krijgen wij te maken met de nasleep van dit gedrag. Ik zie hoe mijn horecaburen gedwongen worden hun deuren te sluiten, ik zie dat mijn andere hardwerkende buurvrouw de politie over de vloer krijgt en dat de supermarkt in de clinch ligt met de gemeente.

Omdat het voor een deel van onze gasten te ingewikkeld is om huishoudens aan te geven, in hun eentje boodschappen te doen en om anderhalve meter afstand te houden krijgen wij te maken met boetes, gedwongen sluitingen en misschien zelfs faillissementen. Dus bij deze een oproep aan alle toeristen wiens gezond verstand vervliegt zodra ze van de boot afstappen: begrijp alsjeblieft dat de eilander ondernemers de prijs betalen van jouw onwil, begrijp alsjeblieft dat jouw favoriete kroegje failliet kan gaan omdat jij het niet nodig vindt om anderhalve meter afstand te houden, begrijp alsjeblieft dat jouw onvermogen om te tellen ertoe kan leiden dat mijn buurmeisje straks niet meer naar paardrijles kan, of erger nog; haar huis uit wordt gezet.  

Wellicht is het een idee om het verplicht te maken om, naast een negatieve coronatest, ook een bewijs van vaardigheid te overleggen voordat reizigers de boot op mogen. Met dit bewijs van vaardigheid laat men zien dat ze kunnen tellen, de definitie van ‘huishouden’ begrijpen en weten hoe ons metrisch stelsel werkt. Laten we – nu we toch bezig zijn – hier ook enkele basiskennis over de verkeersregels aan toevoegen, om Suzuki Samurai-leed in de toekomst te voorkomen.  

Verwend

Twee keer per jaar moet ik naar de randstad. Dan racen we in een zo kort mogelijke tijd heen en weer tussen Harlingen, Amsterdam, Den haag en Alphen aan de Rijn om nieuwe collecties in te kopen voor de winkel op Terschelling. Dan verwonder ik me over de ongelooflijke drukte in die wereld van beton en asfalt, en ben ik elke keer weer dolblij als we de afsluitdijk naderen, op weg terug naar het rustige noorden.

Deze zomer komt de randstad naar ons toe. Verwelkomen we een ‘nieuwe soort toeristen’ op Terschelling. Toeristen die anders naar Costa Rica waren gevlogen, of naar Bali, Kaapverdië of de Malediven.

Volgens de Leeuwarder Courant is deze toerist een beetje verwend. Normaal gesproken vliegen ze de hele wereld over om te verblijven in luxe, duurzame ecoresorts maar vanwege de coronacrisis moeten ze noodgedwongen hun heil zoeken in eigen land. Vandaar dat de autodekken van de veerboten al wekenlang volgeboekt zitten en de krappe parkeerplaatsen op Terschelling uitpuilen met dubbel geparkeerde Tesla’s, Volvo’s en glimmende Audi’s.

Doorgewinterde eilandgangers weten allang dat je je auto het beste achter kunt laten op één van de parkeerterreinen in Harlingen. We hebben hier op de Wadden namelijk een veel efficiënter vervoermiddel: de fiets (nee, geen elektrische!). Dit volledig draadloze apparaat brengt je naar het einde van de weg en daar voorbij, en heeft bovendien een positief effect op zowel de fysieke als mentale gesteldheid.

Maar goed, verwend dus. Dit nieuwe type toerist is all-inclusive vakanties gewend en moet nu zelf dingen gaan organiseren. Bij het VVV kantoor komen de globe-trotters verwilderd vragen wat ze moeten doen nu ze alle musea bezocht hebben, en in de winkel zetten mensen grote ogen van teleurstelling op als ik ze vertel dat West-Terschelling slechts twee echte winkelstraten telt.

Een Friese ondernemer suggereert in de krant dat we misschien meer luxe seaview hotels moeten gaan bouwen, zodat deze verwende toeristen volgend jaar misschien nog eens terug komen. Een vreemde suggestie dacht ik, want: moeten we het mooie, rustige en karakteristieke Waddengebied aanpassen om te voldoen aan de grillige wensen van deze ‘toerist nieuwe stijl’? Dit lijkt mij niet. Sterker nog, om deze toeristen verwend te noemen vond ik al enigszins bijzonder. Ben je verwend als je blijkbaar niet meer over de gave beschikt om jezelf te vermaken? Ben je verwend als je de natuurlijke schoonheid van onze prachtige eilanden niet weet te waarderen? Ben je verwend als je zo vervreemd bent van de natuur dat je niet meer durft te dwalen in de duinen en daarom maar blijft rondhangen in het dorp, op zoek naar een park waar je kunt zitten? (true story)  

Het bouwen van luxe seaviewresorts lijkt me dus niet de oplossing. Mijn persoonlijke suggestie? Heropvoedingskampen. Laat onze verwende globetrotters opnieuw kennismaken met de natuur. Leer ze te verdwalen, te ontdekken en te dromen. Laat ze de ultieme vrijheid ervaren op een surfplank in de branding. Geef ze stevige wandelschoenen en laat ze zien dat er een hele wereld bestaat buiten de gebaande paden. Laat ze de magie ervaren van het staren naar een donkere sterrenhemel, vrij van lichtvervuiling en ruis. Laat ze zien dat ‘natuur’ niet enkel een vervelende factor is in het stikstofbeleid, maar een heilzame wereld waarin lichaam en geest kunnen opladen en herstellen.

Investeer dus niet in luxe resorts die onze kustlijnen verpesten, maar zet in op het ervaren en beleven van alles wat het noorden te bieden heeft. Wie weet laten onze verwende globetrotters dan het vliegtuig de volgende keer voor wat het is, verruilen ze de Tesla wat vaker voor de fiets, worden we met zijn allen een fitter en gezonder volk en kunnen we en passant ook nog eens de klimaatdoelen behalen.

Solidariteit

Al wekenlang probeer ik iets op papier te krijgen. Probeer ik me te focussen op het positieve. Probeer ik de tijd die ik nu ineens in overvloed heb te gebruiken voor iets nuttigs. Maar het lukt niet, want ik ben boos.

Boos op de politiek. Boos op China met zijn walgelijke dierenmarkten. Boos op Rutte en Jaap van Dissel met hun onzin over het nieuwe normaal. Boos op de pers met hun hysterische berichten over frontlinies en de extreme crisis die ons te wachten staat. Boos op de curlingmoeders die doen alsof we verschrikkelijke experimenten uitvoeren met hun kroost, omdat de basisscholen weer voorzichtig open mogen. Maar bovenal boos op het volk. Dat iedereen zo in een kramp geschoten is dat we met zijn allen braaf opgehokt zitten toe te kijken terwijl ons land naar de tering wordt geholpen.  

Natuurlijk moeten we de risicogroepen beschermen. Moeten we ervoor zorgen dat de IC-capaciteit niet wordt overschreden. Volgens de politiek kunnen we niet alleen de risicogroep vragen zichzelf te isoleren en is gezondheid belangrijker dan de economie (dat er vrijwel niets gedaan wordt tegen milieuvervuiling – elk jaar goed voor 12.000 doden in Nederland – vind ik dan wel weer bijzonder). Uit solidariteit moeten het met zijn allen doen. Moeten we met zijn allen thuisblijven. Onszelf in een sociaal isolement zetten met alle gevolgen van dien.

Onszelf massaal opsluiten uit solidariteit met de risicogroep is weliswaar een mooi gebaar, maar om nu de hele economie om zeep te helpen uit solidariteit is wellicht iets teveel van het goede. Dan is het totale aantal doden wellicht iets lager, maar zijn er straks geen terrasjes meer om te vieren dat de ellende voorbij is. Zijn er geen theaters en musea meer om naartoe te gaan in onze vrije tijd. Zijn er geen gezellige dorpskernen meer omdat alle kleine ondernemingen kopje onder zijn gegaan.

Kleine ondernemingen die volgens Wiebes ‘in de kern niet gezond zijn’ omdat ze geen tonnen achter de hand hebben om mogelijke pandemieën uit te zitten. Ondernemingen die geen private equity firma’s achter zich hebben. Ondernemingen die het belangrijk vinden dat iedereen in de keten eerlijk betaald krijgt, in plaats van enkel groot geld te verdienen voor de rijken die na elke crisis steevast nog rijker zijn geworden.

Dat miljardenbedrijven als KLM in de problemen zitten is volgens Wiebes dan weer een heel ander verhaal. De mkb’ers krijgen een zakcentje in de vorm van €4000,- maar KLM wordt ‘tegen elke prijs’ overeind gehouden. De Nederlandse vliegtuigbranche stoot immers elk jaar minstens 13 miljard kilo co2 uit en dat moet natuurlijk beloond worden.

Kleine duurzame bedrijfjes moeten omvallen om de grote reuzen overeind te houden. Bevlogen ondernemers die genoegen nemen met een bescheiden salaris – omdat ze het belangrijker vinden dat hun producten op een duurzame en fairtrade manier worden geproduceerd – worden genadeloos opgeofferd. Uit solidariteit. Omdat niet-harkers in de kern toch al niet gezond waren. Nou meneer Wiebes, volgens mij is jouw kern niet gezond.

En dan nog Rutte met zijn belachelijke ‘nieuwe normaal’. ‘Verschillende winkeliers hebben al maatregelen getroffen om toch open te kunnen’ werd er trots verkondigd. Ja. Grote ketens zoals de Bijenkorf, die schaamteloos hun betalingstermijnen excessief verlengen zodat de rekening van deze crisis wederom terecht komt bij de kleine spelers. Deze grote ketens hebben met hun giga-panden de mogelijkheid om zich aan het ‘nieuwe normaal’ aan te passen. Maar de kleine winkeliers? Die mogen maximaal twee of drie mensen tegelijk toelaten wegens hun beperkte aantal vierkante meters. Kunnen ze hiermee de benodigde omzet niet halen? Dan waren ze in de kern vast niet gezond.

En bovendien: als Rutte de zorg niet zo kapotbezuinigd had, hadden we nu een veel minder groot probleem. Dan was er genoeg capaciteit, en voldoende zorgpersoneel om de zieken te verzorgen. In plaats daarvan deelde Rutte liever belastingcadeautjes uit aan multinationals, die nu wederom aankloppen om aanspraak te doen op Nederlandse belastinggelden.

Een buitensporig groot deel van de mkb’ers wordt dus opgeofferd voor de risicogroep. De groep mensen die wegens leeftijd of onderliggend lijden waarschijnlijk toch niet veel tijd meer hadden. De groep waarvan veel leden opgesloten zit in een verzorgingstehuis. In isolatie. Verstoken van sociale contacten. Ondanks alle maatregelen tiert het virus welig in deze verzorgingstehuizen. Je kan je dus af gaan vragen of deze maatregelen eigenlijk wel nut hebben. En bovendien: is het verlengen van de levensduur van deze mensen het wel waard als dit betekent dat ze hun laatste maanden of zelfs jaren moeten doorbrengen in eenzaamheid? Heeft het krampachtig toevoegen van levensjaren nog nut als er van kwaliteit van leven geen sprake meer is?  

Natuurlijk sterven er ook jonge mensen aan het coronavirus. Dat is eng, en verschrikkelijk voor de nabestaanden. Net zo verschrikkelijk als wanneer je vader, moeder, opa of oma overlijdt. Toch moeten we op gegeven moment accepteren dat het risico van de dood bij het leven hoort. Anders kunnen we ook niet meer in de auto stappen, met het vliegtuig gaan of in de bergen wandelen.

Maar dingen in perspectief zien is lastig als de media individuele gevallen extreem blijft uitvergroten. Natuurlijk jaag je daar mensen angst mee aan, maar als je bedenkt dat <0,4% van de bevestigde coronadoden jonger dan 50 jaar was, en minder dan 1% van de besmette mensen boven de 60 daadwerkelijk overlijdt, klinkt het ineens een stuk minder eng.

Uiteraard komt het de politiek goed uit dat de mensen bang zijn. Dan blijven ze immers braaf thuis, en slikken ze alle mededelingen als zoete koek. Dan is er niemand die erop wijst dat er nog steeds amper getest wordt in Nederland, dat de toevoer van beschermingsmiddelen nog steeds niet op orde is, en dat de strategie omtrent groepsimmuniteit een inschattingsfout van astronomische proporties was.

Nee. We blijven allemaal braaf opgehokt zitten. Blijven zonder morren de onzin aanhoren over het ‘nieuwe normaal’ en de ‘anderhalvemetereconomie’. Blijven braaf herhalen dat we dit samen doen, dat we solidair moeten zijn.

Maar wie is er nu solidair met de kinderen die van de radar verdwenen zijn? Die niet de middelen hebben om thuis te leren en zo een nog grotere achterstand oplopen? Wie is er solidair met de mensen met psychische klachten? Die nu wekenlang in isolatie zitten met hun eigen destructieve gedachten, zonder kans op hulp of een troostende arm om hun schouder? En wie is er solidair met de ondernemers? Die hun hart en ziel in hun bedrijf hebben gestoken en nu machteloos moeten toekijken hoe hun faillissement met rasse schreden nadert?

Verstandig

   Afwezig bestudeer ik mijn gehavende handen terwijl de trein door het Nederlandse landschap raast. Het vel op mijn vingertoppen is grotendeels afgesleten door het scherpe kalksteen van El Chorro en de rug van mijn hand wordt gesierd door een spinnenweb van rode krassen.

   In mijn gedachten reis ik terug naar het kleine Spaanse bergdorpje dat ik met elke minuut in de trein verder achter me laat. Ik denk en Jakob en Arthur, in hun kleine bed in de Renault Kangoo. Aan Billy en Andrea, die hun baan opzegden om een jaar te kunnen klimmen en reizen. Ik denk aan Corneel, die al drie maanden in de uitgestrekte bossen onderaan de rotsen leeft om te ontsnappen aan de hectiek van het westerse bestaan. Ik denk aan de Olive Branch, het gezellige klimmershostel waar de stroom zo vaak uitviel. Waar we gitaar speelden en liedjes zongen terwijl de zon zijn laatste stralen op de oranje rotswanden wierp.

   Ik schrik op uit mijn gedachten als een krakerige stem meedeelt dat we dadelijk station Meppel binnen zullen rijden. Naast me zit een vrouw verwoed op haar laptop te tikken. Ze zucht geïrriteerd als ik aanstalten maak om mijn tas te pakken.

   Op het station word ik opgewacht door Pim. Pim de leraar, die wegens vaste schoolvakanties niet mee kon op klimreis. Pim de verstandige, met een vaste baan en een koophuis in een degelijke wijk in Havelte. Pim de lieverd, de betrouwbare arm om mijn schouder waar ik altijd op kan rekenen. Verwoed probeer ik het gevoel dat ik stik weg te slikken. Na een lange omhelzing kijken we elkaar aan. Ik vraag me af of de afstand die ik tussen ons voel te zien is in mijn ogen.

   Ondertussen zijn we vier weken verder. Het huis in Havelte staat te koop, mijn oma heeft zich drie keer omgedraaid in haar graf en mijn schoonmoeder doet heel erg haar best doen om niet allemaal verwensingen naar mijn hoofd te slingeren.

   Ons nieuwe huisje heeft vier wielen en een ronkende dieselmotor. Daarnaast zal een piepklein studiootje op Terschelling dienen als basiskamp. Ruimte voor een vaatwasser is er niet, evenals plek voor de luxe hoekbank van nog geen jaar oud. Ook de comfortabele boxspring belandt op marktplaats, gevolgd door een assortiment aan kasten, stoelen en elektronische apparaten waarvan ik het nut sowieso nooit echt begrepen heb.

   Met elk item dat verkocht wordt voel ik mezelf lichter worden. Alsof de dwangbuis die ik mezelf heb aangetrokken met elke ademteug iets losser komt te zitten. Ik denk aan al die beslissingen die ik in het verleden maakte. Dingen die ik deed ‘omdat het verstandig was’ of ‘omdat het nou eenmaal zo hoort.’ Al die verstandige beslissingen leiden misschien tot een maatschappelijk geaccepteerd leven, maar wat als je erachter komt dat zo’n leven helemaal niet bij je past? Wat als je erachter komt dat al dat bezit alleen maar ballast is dat tussen jou en je vrijheid instaat? De wereld is als een boek. Als je altijd op dezelfde plek blijft, lees je dan niet eigenlijk maar één pagina?

   Ik kijk om me heen in het almaar leger wordende huis en kan alleen maar opluchting voelen. Dit hoofdstuk in mijn boek is ten einde gekomen. En ik? Ik kan niet wachten om de pagina om te slaan, op zoek naar nieuwe verhalen om de lege bladzijden mee te vullen.

Hersenspinsels

 ‘Ik begrijp hoe de maatschappij werkt en voel mezelf een onderdeel hiervan’ aldus één van de vele stellingen waaraan ik een score moet geven. 1=helemaal mee oneens en 5=helemaal mee eens.

De klok in de hoek tikt zachtjes door, aan de muur hangen kaartjes met motiverende spreuken, en voor me zit de psycholoog afwezig naar haar telefoon te staren. Vandaag is onze laatste afspraak. De online vragenlijst voor me moet aangeven hoe het staat met mijn gesteldheid. Of ik weer zonder begeleiding mag rondzwerven in onze samenleving.

Ik aarzel. Als ik 1 invul, zou de psycholoog dan vaststellen dat het nog steeds niet goed met me gaat? Zou ik dan terug moeten komen, net zolang tot ik me op mijn gemak voel als klein radartje in de grote machine die de Nederlandse maatschappij vormt?

Zuchtend sluit ik een compromis met mezelf en klik op 3: neutraal. Het probleem is niet dat ik de maatschappij niet begrijp. Ik begrijp heel goed hoe de Nederlandse samenleving in elkaar steekt. Wat ik echter niet snap is waarom iedereen braaf het pad blijft volgen dat de politiek al jarenlang voor ons heeft uitgesleten. Is het omdat het makkelijk is? Omdat we het echt willen? Of omdat we zo diep zijn weggezakt in de groeven van het pad dat we er niet meer uit kunnen klimmen?

Hoe je het ook wendt of keert, we leven in een prestatiemaatschappij waarin succes wordt bepaald door status en bezit. Een groot huis, een dure auto en een prestigieuze titel als het even kan. Elke maand gaan we braaf kromliggen om de prijs van deze successen te kunnen betalen. Omdat het zo hoort, omdat het nou eenmaal zo werkt.

Maar is dat wel zo?

Steeds vaker komen er verhalen naar boven van mensen die het anders doen, die het materialisme vaarwel zeggen en ruimte maken voor dingen die ze echt belangrijk vinden. De tiny-house beweging is hier een goed voorbeeld van, maar helaas komt dit initiatief tergend langzaam van de grond.

Als je het vertikt om maandelijks gebukt te gaan onder hoge huurprijzen of hypotheeklasten wordt je al gauw de illegaliteit in gedrukt. In Nederland ben je vrij, maar alleen als je je conformeert aan de dwangbuis van de hedendaagse samenleving. Als je een alternatief hebt gevonden dat wel bij je past (bijvoorbeeld het wonen in een bus, om maar iets te noemen), loop je al gauw tegen verschillende problemen aan. Zoals de verplichting om een adres te hebben. Zonder adres vervalt op gegeven moment je stemrecht en kan zelfs je zorgverzekering stopgezet worden. Zelfs als je al die jaren braaf betaald hebt. Nederland zit niet te wachten op mensen die buiten de lijntjes kleuren.

Ik merk dat ik nog steeds naar het scherm zit te staren, verzonken in mijn innerlijke monoloog (is dat wel normaal?). Plotseling overtuigd wis ik mijn antwoord en vervang het door 1: Helemaal mee oneens. Ik voel mij niet thuis in deze maatschappij. Niet in een maatschappij waarin mensen zich over de kop werken om maar te voldoen aan alle verwachtingen. Niet in een maatschappij waarin je je moet ketenen aan een adres en de bijkomende lasten, ‘omdat het zo hoort’. Ik ga mijn best doen om uit de groeven van het uitgesleten pad te klimmen, en dat klimmen? Laat ik daar nou juist heel goed in zijn.

De geschiedenis van de knuffelpenis

In het stukje ‘over mij’ heb ik het over een knuffelpenis. Frodo en haar knuffelpenis om precies te zijn. Kennissen met een psychologenachtergrond verwonderden zich over dit verhaal. Symboliseerde de knuffelpenis een groot gemis in mijn leven? Of bevond ik me misschien in een vergevorderd stadium van penisnijd?

Helaas moet ik jullie vertellen dat geen van deze gevallen van toepassing zijn. Alhoewel het me in sommige gevallen verdomd handig lijkt om staand te kunnen plassen, ervaar ik het niet hebben van zo’n bungelend ding tussen mijn benen niet echt als een probleem in mijn dagelijkse leven. Ook op persoonlijk vlak heb ik niet echt behoefte aan extra piemels. Ook al schijnt polygamie in opkomst te zijn, het lijkt mij alleen maar heel erg ingewikkeld. Dat heeft op zich niet zozeer te maken met de geslachtsdelen zelf, meer met de man en bijbehorende persoonlijkheid die doorgaans aan zo’n penis vast zit. Maar ik dwaal af.

De historie van de knuffelpenis begint in het jaar 2008. Op 17 september om precies te zijn. De heer Pim V. vierde op deze dag zijn 18e verjaardag. Nu was hij niet meer kleine Pimmetje, maar een volwassen man. Uiteraard moest dit heugelijke feit gevierd worden met cadeautjes. In dit geval een enorme knuffelpenis en een selectie bijpassende natuurfilms.

We kunnen enkel gissen naar de omzwervingen die de knuffelpenis daarna heeft gemaakt. Wat we wel weten is dat hij zich elf jaar later ineens in een doos in onze hal bevond. De vader van Pim was zijn huis aan het opruimen, en kwam daarbij nog enkele attributen uit Pim’s verleden tegen. Enthousiast pakte Pim het grote roze ding op en trok aan het vergeelde koordje dat aan de onderkant bungelde. ‘Aw, vroeger trilde hij nog’ merkte hij teleurgesteld op waarna hij het lid weer in de doos deponeerde.

Frodo en haar trouwe vriend

Frodo sloeg het hele gebeuren geïnteresseerd gade en keek met glinsterende oogjes naar het topje van het knuffelapparaat dat nog net zichtbaar was. Voorzichtig zette ze haar puppytandjes erin en trok hem met een ferme ruk uit de doos. De rest van de middag heeft ze dolenthousiast door het huis gerend. De knuffelpenis stuiterde vrolijk achter haar aan.

Sindsdien waren Frodo en de knuffelpenis onafscheidelijk. Overal moest hij mee naartoe. Elke ochtend duwde ze het ding liefdevol in mijn gezicht als ik mijn koffie probeerde te drinken. Hij moest mee met onze wandelingen, er moest mee gegooid worden. Met een uitgestreken gezicht probeerde ik dan de verbaasde blikken van voorbijgangers te negeren terwijl ik het lid met een grote boog door de lucht zwiepte.

Helaas waren deze wandelingen ook de laatste hoogtepunten voor de knuffelpenis. Zijn zachte stof bleek namelijk niet bestand tegen Frodo haar scherpe tandjes. Na enkele weken begon hij te scheuren en verspreidde de vulling witte pluizige wolkjes op het tapijt. Pim, die al meerdere kapotgescheurde hondenspeeltjes gerepareerd had, constateerde met een zucht dat Frodo’s trouwe vriend niet meer te naaien was. De geschiedenis van de knuffelpenis heeft dus een vrij tragische afloop. Hoewel hij zich vrij lang staande heeft gehouden, eindigde hij toch, samen met Frodo’s andere slachtoffers, in de kliko.

Gelukkig heeft Frodo geen problemen met polygamie. Ze heeft ondertussen de liefde verklaard aan beertje, groen konijn, kaas, en haar laatste aanwinst: eend. Lang heeft ze dus niet getreurd om het verlies van de knuffelpenis, er staat immers altijd wel weer een nieuw vriendje in de rij waar ze haar tanden in kan zetten. Heeft ze ze allemaal verslonden? Dan zoekt ze gewoon een nieuw vriendje uit bij de intratuin. Het leven kan zo simpel zijn.

Koffie, spleetklimmen en een rochelende bus

Morrend doe ik mijn ogen open en steek ik mijn hoofd uit mijn dikke donzen slaapzak. Mijn adem vormt wolkjes en op het raam van mijn camperbusje zie ik kleine ijskristallen. Even overweeg ik om te blijven liggen in mijn warme coconnetje, maar zoals elke ochtend begint mijn brein meteen te schreeuwen om cafeïne.

   In het vroege ochtendlicht bekijk ik de chaos op het bedbankje. Ik vind mijn versleten wollen trui tussen de karabiners, klimsetjes en de klimgordel die ik de vorige avond gedachteloos heb neergesmeten. Terwijl ik aan het rommelen ben met de cafetière hoor ik vlak naast mijn busje een rits opengaan. De geur van koffie heeft Cesar uit zijn tent gelokt.

   Niet veel later parkeer ik de rochelende Volkswagen op de parkeerplaats bij het klimgebied. We zijn vandaag bij de sector Kottenheimer Winfeld, nabij het Duitse plaatsje Ettringen. De zon schijnt en de ijskristallen zijn gesmolten. Het felle licht wordt gefilterd door de kruinen van de oude eikenbomen en werpt een groene waas over het verder verlaten parkeerterrein. Nadat we ons materiaal bij elkaar hebben gezocht verdwijnen we tussen de bladeren. Op zoek naar het beloofde land, in de vorm van metershoog ruw basalt.

    Na een korte wandeling staan we voor ons project van die dag. Eén perfecte rotsspleet loopt verticaal naar boven, ernaast bevinden zich enkele kleine randjes die mogelijk als voet- of handgreepjes kunnen dienen.

   Grijnzend kijk ik Cesar aan, en vraag me af of de twinkeling in zijn ogen ook in de mijne te zien is.

   ‘Dat ziet er hard uit.’

   ‘Ja, mooie spleet.’

   ‘Die randjes lijken me ook best naar.’

   ‘Inderdaad, lekker sketchy allemaal zo te zien.’

Weer die pretoogjes van hem.

   ‘Jij eerst of ik?’

   Daar sta ik dan. Mijn rechtervoet heeft zich vastgedraaid in de spleet, terwijl de vingers van mijn linkerhand hun uiterste best doen om een messcherp randje vast te houden. Ik kijk naar beneden, mijn laatste zekerpunt zit zo’n vier meter onder me. Zat die cam[1] nou goed of niet? Hij leek goed vast te zitten, maar ik betwijfel of hij een val van minstens acht meter zal houden.

   Ik voel een bekende kriebel in mijn borst, een kriebel die al mijn spieren op spanning zet. Alsof al mijn zintuigen in de hoogste versnelling staan. Elke trillende spier, elk zenuwuiteinde, alles voel ik terwijl ik verwoed probeer een volgende cam in de rots te plaatsen.

   ‘Neee f*ck. Deze past niet. K(*&%$W#T. Waarom doe ik dit. Ik haat mezelf. Mijn voet glijdt weg, ik hou dit niet meer. BLIJF ZITTEN KRENG.’

   Eindelijk heb ik de goede maat gevonden, en grijpen de randen van de zekering zich vast in de rots. Ik clip het touw in de snapper[2] en probeer mijn ademhaling weer onder controle te krijgen. De angst is weer geslonken tot een kleine bal in mijn borst. Waar ik hem kan relativeren, weg kan stoppen. Waar ik niet naar hem hoef te luisteren.

   Want is dat niet waarom ik klim? Waarom ik de uiterst nutteloze kunst beoefen van het bestijgen van een stuk steen? Gewoon naar boven is niet genoeg. Nee. Het moet via de moeilijkst mogelijke weg, via de meest onwaarschijnlijke uitstulpingen in de rots, die voor een leek nauwelijks waarneembaar zijn.

   Klimmen dwingt me in het hier en nu. In een wereld waarin alle comfort mijn zintuigen heeft afgestompt, een wereld die geregeerd wordt door bliepjes en schermpjes, klim ik om mezelf terug te vinden. Om de verbinding met mijn lichaam te herstellen. Ik kijk de angst in de ogen, en overwin hem, overwin mezelf. Elke keer opnieuw.    

   Eenmaal boven clip ik het touw vast aan de standplaats. Mijn hoofd is leeg. De innerlijke storm is gaan liggen. Een merel zingt in de boom achter me, en ik kijk naar de schaduwen van dansende bladeren op mijn armen.

   ‘Blok!’ roep ik naar beneden.

 Weer op de grond krijg ik een fist-bump van een breed grijnzende Cesar.

‘Sterk meid! Zag er goed uit.’

    ‘Dank je, was wel even spannend daarboven.’

   ‘Dat kon ik zien ja. Trouwens, ik zat naar die route hiernaast te kijken. Een 7a volgens mij. Wat denk je?’

Ik voel mijn mondhoeken omkrullen tot een glimlach.

   ‘Jij eerst of ik?’  


[1] Mobiele zekering die gebruikt wordt bij rotsklimmen.

[2] Soort karabiner.

Wat betekent klimmen (of een andere sport) voor jou? Laten het weten in een reactie!