Wat zou je mee willen geven?

Wat zou je mee willen geven aan mede AD(H)Ders?

Die vraag stelde Jasper Buitenhuis mij aan het einde van de podcast die we aan het opnemen waren over ‘succesvol leven met ADD’ (verschijnt binnenkort). Wanhopig zocht ik naar iets samenhangends in de dichte mist die opkwam in mijn hoofd. Aan de andere kant van het raam voerden de kippen een soort balanceeract op op een wankel vogelhuisje en onze 5 maanden oude Västgötaspets pup besloot tegelijkertijd dat een wandelschoen een veel leuker kauwspeeltje was dan het kapitaal aan hondenspeeltjes dat door mijn minihuisje slingerde. Ik raakte afgeleid. Wat was de vraag ook alweer?

Welk antwoord er precies volgde weet ik niet meer.

Toch bleef de vraag me achtervolgen; wat zou ik mee willen geven? Ik bedenk me dat het wellicht makkelijker is om hierover te schrijven en begin met typen. Ik schrijf iets over energie in banen leiden, focussen op einddoelen en jezelf verrassen. De woorden komen leeg en betekenisloos op me over. Ik druk op delete totdat de cursor weer eenzaam staat te knipperen op een blanco pagina.

Twee dagen later lig ik huilend onder de dekens. Op het dak van de buren snerpt een decoupeerzaag, de telefoon van Pim trilt onophoudelijk en vanaf de straat klinken de geluiden van een samenleving die wakker wordt. Alle prikkels komen binnen alsof iemand de volumeknop in mijn hoofd op maximaal heeft gezet en meermaals vraag ik mezelf af hoe ik in vredesnaam deze dag door moet komen. Nog een dag werken in de winkel. Nog een dag vol mensen, lawaai en rondrennende kinderen. Nog een dag lief lachen naar iedereen terwijl ik me het liefst wil verstoppen in de wildernis. Ver weg van alle verwachtingen en prikkels van de moderne maatschappij. Weer denk ik aan de podcast. Het idee dat iemand mij succesvol en inspirerend noemt komt op dit moment lachwekkend op me over. ‘Je zou me nu eens moeten zien’ is de wrange gedachte die in me opkomt. ‘Wat zou je mee willen geven?’ ik heb werkelijk geen idee.  

Mijn werkdag kom ik door door mijn ‘zombiemodus’ aan te zetten. Dit wil zeggen: ik doe als een soort emotieloze robot mijn werk terwijl ik de minuten aftel totdat ik weer naar huis kan. Dit ‘uit zetten’ schijnt vaker voor te komen bij ADDers en is een soort coping mechanisme van het brein.

Op een rustig moment in de winkel blader ik door de foto’s op mijn laptop, iets wat ik vaker doe als ik me rot voel. Ik kom oude foto’s tegen van toen ik in Edinburgh woonde. Eindeloos veel beelden van mijn tijd in Slovenië. Filmpjes van de wilde rivieren die ik gevaren heb en een enorme hoeveelheid foto’s van roadtrips en bergbeklimmingen. Ik kom gezichten tegen van bijzondere mensen die ik onderweg heb leren kennen en word herinnerd aan de tijd dat ik een Fiat Panda ombouwde tot minicamper. Terwijl ik al deze avonturen herbeleef besef ik me ineens hoeveel ik al meegemaakt heb in de 31 jaar dat ik op deze aardbol rondloop. Hoe intens ik heb geleefd.

En dan begint het kwartje te vallen. Dat intense geleef van mij wordt grotendeels veroorzaakt door de innerlijke onrust die gepaard gaat met ADD. Deze onrust is regelmatig dodelijk vermoeiend, maar brengt me ook naar fantastische plekken. Prikkels komen extra hard binnen, de dalen zijn extra diep, maar de pieken des te hoger. Doordat veel alledaagse dingen mij erg veel energie kosten, probeer ik vaak te ‘ontsnappen’ aan de maatschappij. Wat resulteert in een scala aan verschillende avonturen en belevenissen. Als mijn levensstijl me zoveel mooie herinneringen opbrengt, me zo’n rijk leven oplevert, hoe kan ik mijn ADD dan zien als iets slechts?

Jarenlang heb ik niet doorgehad dat het ‘normale leven’ voor mij zo ongelofelijk energieslurpend is. Sinds ik weet dat ik ADD heb, heb ik geleerd (met hulp van een psycholoog) om zoveel mogelijk energieslurpers te schrappen en aandacht te geven aan dingen waar ik wél energie van krijg. Vrijheid, reizen en klimmen dus.

Tegenwoordig maak ik vrijwel elke keuze met deze kennis in mijn achterhoofd. Ik kies ervoor eigen baas te zijn zodat ik meer vrijheid heb. Ik kies ervoor om heel klein te wonen zodat er meer geld overblijft om te reizen. En ik kies ervoor om mijn lichamelijke onrust kwijt te raken door heel erg hard te trainen voor het klimmen. In plaats van te vechten tegen ADD probeer ik het om te buigen naar iets positiefs. Probeer ik de goede kenmerken van ADD (want ja, die zijn ook) in mijn voordeel te laten werken. En dat lukt… Meestal.

Pas ik hierdoor in het hokje ‘normaal’? Absoluut niet. Vind ik dit erg? Nee! Integendeel zelfs. ‘Normaal’ is in mijn ogen enorm overrated. Lange tijd was de algemene overtuiging dat ADDers geestelijk gebrekkig waren en dat ze zich moesten aanpassen -desnoods met medicijnen- om ‘normaal’ te kunnen zijn. Maar wat is nou ‘normaal’? Waarom zou ik ‘normaal’ willen zijn? Voor wie?

We zijn allemaal de schrijvers van ons eigen verhaal. Hoe dit verhaal eruit komt te zien is volledig aan onszelf. Waarom zou het een ‘normaal’ verhaal moeten worden met een voorspelbaar einde? Is het niet veel leuker om de chaos te omarmen en een avonturenverhaal te schrijven vol uitdagingen en plotwendingen?

Mijn mentale klachten uit het verleden werden grotendeels veroorzaakt omdat ik probeerde te leven ‘zoals het hoort’. Nu ik zelf mijn weg bepaal kijk ik weer vol vertrouwen naar de toekomst, benieuwd naar de maffe ideeën en spannende avonturen die immer in de maak zijn, ergens in de mistige krochten van mijn brein. Over welke rivieren en bergtoppen mijn pad loopt. Naar welke bestemmingen. 

Dus wat zou ik mee willen geven? Delete dat ‘normale’ verhaal en begin met het schrijven van je eigen avontuur. Schrap -waar mogelijk- de energieslurpers en kies voor de dingen waar je energie van krijgt. Focus je op de reis, ongeacht de eindbestemming. Voor je het weet heb je een avontuurlijk leven dat als ‘inspirerend’ en ‘succesvol’ wordt beschouwd. Zelfs als je jezelf af en toe huilend verstopt onder de dekens.

Climb that goddamn mountain

‘Wat wil je later worden?’ Als ik vroeger deze vraag kreeg antwoordde ik steevast dat ik bergbeklimmer wilde worden. Of zwerver. Of eigenlijk een rondzwervende bergbeklimmer.

Dit leverde zonder uitzondering verbaasde blikken op. Van mijn familie, maar vooral van mijn leraren op school. Want bergbeklimmen was toch geen baan? Hoe ging ik dan aan geld komen? En er waren toch helemaal geen bergen in Nederland?

Waar het volkomen acceptabel is als je als leerling astronaut wil worden, is zwervende bergbeklimmer blijkbaar een verkeerd antwoord. Ik moest realistischer zijn. Ambitieuzer. Aangezien ik hoge cijfers haalde moest ik volgens mijn leraren naar het gymnasium en later de universiteit. Ik was slim dus moest kansen pakken, kon met mijn resultaten alles worden wat ik wilde. Behalve bergbeklimmer dan.

Toen snapte ik het al niet; waarom kon ik geen bergbeklimmer worden? Waarom hing mijn identiteit af van hoe ik mijn geld verdiende? Als kind snapte ik echter veel meer dingen niet, en was ik ervan overtuigd dat ‘de grote mensen’ alles beter wisten. Ik zette mijn bergbeklimmersdroom dus in de ijskast en ging verder met hoge cijfers halen, zoals van me werd verwacht. Ik ging een managementstudie doen, want ‘daar kan je alle kanten mee op’. Ging aan de slag op een kantoor in Edinburgh, en was doodongelukkig. Ik raakte mezelf beetje bij beetje kwijt totdat ik absoluut niet meer wist wie ik was en wat ik eigenlijk deed op deze wereld.

Wat me er weer bovenop hielp? Klimmen (en een langdurig traject bij een psycholoog maar dat terzijde). Ik ontdekte de klimhal en nam mijn nieuwgeleerde skills als snel mee naar buiten. Naar de zandstenen rotswanden van Berdorf, de granieten bergflanken van de Alpen en de mediterrane klimparadijzen van Spanje. Hangend aan mijn vingertoppen realiseerde ik me wat ik eigenlijk mijn hele leven al wist: ik ben een bergbeklimmer.

Het heeft bijna dertig jaar geduurd voordat ik erachter kwam dat het niet uitmaakt wat voor werk je doet. Dat geld verdienen – hoewel noodzakelijk – gewoon een bijzaak is in het leven in plaats van een einddoel. Echte rijkdom zit immers in ervaringen, en in de vrijheid om je leven te leven op een manier waar je gelukkig van wordt.

Dus wat ik later wil worden? Een nóg betere bergbeklimmer. En hoe ik dan aan mijn geld kom? Wie weet. Niets is zeker, dus de mogelijkheden zijn eindeloos. Misschien ga ik eindelijk dat boek schrijven, of ga ik toch weer aan de slag als kajakinstructeur. Misschien ga ik werken als illustrator, of wil een blad me aannemen als reisjournalist (call me please!). Of misschien werk ik nog steeds in de zomer op Terschelling, zodat ik in de winter de vrijheid heb om te zwerven en klimdoelen na te jagen. Het maakt niet uit, want zoals Jack Kerouac al zei:

‘In the end, you won’t remember the time you spent working in the office, or mowing your lawn. Climb that goddamn mountain.’

Alleen op pad

Daar zit ik dan, met een gescheurde wandelbroek, een geblutst ego en een -zo te voelen- ernstig blauw achterste. Frodo, die ik op de arm heb, likt enthousiast mijn gezicht terwijl ik me overgeef aan een almaar heftiger wordende lachbui. Als ik weer enigszins op adem ben gekomen van mijn lachstuip (nog best een uitdaging met een hondentong in je neus) kijk ik om me heen om mijn situatie nog eens in kaart te brengen.

Ik zit in een modderpoel onder aan één van de steilste stukken van het pad. Mijn laatste droge kledingstuk is nu niet alleen gescheurd maar zit ook nog eens onder de modder. Frodo ligt nog steeds blij op mijn arm en begint met haar neus in mijn zij te porren op zoek naar kaas. Mijn armen zijn tot bloedens toe geschaafd en ik denk niet dat ik de komende dagen fatsoenlijk kan zitten. En ik ben dolgelukkig.

Wat ik van deze week moest verwachten wist ik niet, of eigenlijk had ik niet eens tijd om verwachtingen op te bouwen. Deze trip was namelijk niet echt een gepland weekje relaxen in de bergen maar eerder een soort van noodgreep in de hoop dat ik na een weekje rust weer enigszins kon functioneren.

De laatste weken zijn namelijk druk geweest. Heel erg druk, nog veel drukker dan normaal in de zomer op Terschelling. Begrijp me niet verkeerd, hier ben ik ongelooflijk dankbaar voor aangezien de economie van het eiland – net als in de rest van Nederland – zwaar te lijden heeft gehad onder de lockdowns. Maar die onophoudelijke drukte, daar ga ik dus niet zo goed op.

Het begon met vermoeidheid en een lichte tegenzin om naar mijn werk te gaan. Gedurende de weken werd ik steeds prikkelbaarder en had ik steeds meer moeite met vrolijk doen tegen klanten. Terwijl ik mijn gezicht in een soort van glimlach probeerde te wringen dacht ik bij iedere klant die binnenkwam: OPTIEFEN ALSJEBLIEFT EN LAAT ME NOU EENS MET RUST VERDOMME!

Deze fase werd opgevolgd door een soort van zombiestaat waarin het me nog net lukte om alle noodzakelijke taken te volbrengen, maar meer ook niet. Vervolgens wilde ik alleen nog maar huilend wegkruipen in een hoekje en kwam er geen zinnig woord meer uit. Kortom: ik was niet echt op mijn best.

Voordat iedereen nu allemaal psychiaters op me af gaat sturen: deze periodes komen vaker voor en ik raak er zo langzamerhand aan gewend. Ze worden veroorzaakt door overprikkeling en hebben te maken met mijn ADD.  

Op het hoogtepunt (of dieptepunt, het is maar net hoe je het bekijkt) van mijn ‘mentale ongemakken’ moesten we naar een trouwerij. Als daggast werden we om half drie in de middag verwacht en de festiviteiten zouden tot ongeveer middernacht doorgaan. Slik.

De trouwceremonie zelf was buiten en het lukte me om deze uit te zitten zonder hysterisch in huilen uit te barsten. Vanzelfsprekend was ik erg trots op mezelf. Daarna was het echter tijd voor het onvermijdelijke fotomoment. Terwijl verschillende bevriende stellen één voor één werden uitgenodigd om samen met het verse bruidspaar op de foto te gaan werd ik steeds zenuwachtiger. Het idee dat ik – een hyperventilatie-aanval onderdrukkend – lief moest proberen te lachen terwijl er ook nog eens een joekel van een camera op me gericht werd werd me gewoonweg teveel en ik was dan ook driftig op zoek naar ontsnappingsmogelijkheden.

Zodra de mogelijkheid zich voordeed maakte ik me dus snel uit te voeten in de hoop dat niemand mijn afwezigheid zou opmerken. IJdele hoop uiteraard.

Pim- al jarenlang mijn lieve vriendje –  is ondertussen wel gewend aan mijn vluchtgedrag en wist dan ook precies waar hij me moest zoeken: in het naastgelegen parkje waar ik met een betraand gezicht onsamenhangend zat te brabbelen tegen de damherten. Het moet er vreemd uit hebben gezien: een huilende hippie met een verwilderde bos krullen en Pim in zijn beste pak die me probeerde over te halen mijn gesprek voort te zetten met iemand van mijn eigen diersoort. Zelfs de lokale junkies liepen met een grote boog om ons heen.

Lang verhaal kort: ik moest er even tussenuit.

Vandaar dat ik een week later mijn camperbusje vollaadde met eten en hondenspeeltjes en samen met Frodo koers zette naar het Kleinwalsertal in Oostenrijk. Alhoewel ik het best spannend vond om in mijn eentje op pad te gaan (nouja, met Frodo dan) keek ik erg uit naar lange bergwandelingen, mooie uitzichten en lekker buiten zitten voor mijn busje. Helaas had het onvoorspelbare bergweer andere plannen.

Tijdens mijn eerste nacht op de camping werd ik wakker van een luid geroffel op het dak van mijn kleine Citroën. Regen. Heel veel regen. Toen de ochtend aanbrak regende het nog steeds. Dikke grijze wolken hingen zwaar op de bergflanken en zware druppen beukten onafgebroken op mijn blikken onderkomen.

Een snelle blik op de weer-app op mijn telefoon deed me de moed in de schoenen zinken. De komende 5 dagen: nog meer regen. Dag in dag uit: 100% non-stop stortregen. Alleen op de laatste dag van mijn verblijf in het Kleinwalsertal was er kans op een voorzichtig zonnetje. Tweemaal slik.

Toen ik naar Oostenrijk vertrok wist ik dat het tijdens mijn solo-weekje twee kanten op kon gaan: óf ik zou helemaal opladen tijdens lange wandelingen in de frisse berglucht, óf ik zou opgeslokt worden door de duisternis waarvan ik weet dat hij in mij sluimert. Bij het zien van het weerbericht vreesde ik het laatste. Wandelen in de regen vind ik zelf namelijk niet erg, maar Frodo de stoere vikinghond verandert in een dwarse dramaqueen zodra haar korte pootjes nat worden. Niet echt een ideaal wandelmaatje voor natte bergtochten dus.

Terwijl ik vertwijfeld mijn blik door mijn busje laat gaan valt mijn oog op het boek dat ik aan het lezen ben: ‘The Rock Warriors Way’ van Arno Ilgner. Dit boek gaat grotendeels over mentale training voor klimmers, maar bevat ook veel technieken die in het dagelijkse leven goed van pas komen. Het belangrijkste punt: bepaalde omstandigheden kan je niet veranderen, hoe je met deze omstandigheden omgaat wél. Je kan uitgebreid gaan zitten balen en wensen dat de situatie anders was, maar dit kost alleen maar energie. Energie die je ook op een nuttige manier kan gebruiken: om je harige dramaqueen over te halen om naar buiten te gaan bijvoorbeeld.

Enigszins gesterkt door dit inzicht hul ik me in mijn regenkleding (die ongelofelijk lek bleek te zijn), doe Frodo aan de lange looplijn en ga lopen. In de stromende regen. Elke dag opnieuw. Frodo lijkt zich te hebben neergelegd bij haar lot en wandelt knorrig met me mee. Zo nu en dan moet ik haar wat extra motiveren met stukjes lokale alpenkaas (waar ze ’s nachts enorm van gaat liggen ruften) maar op gegeven moment lijkt ze het bijna leuk te gaan vinden. Ze blaft enthousiast naar verbaasd kijkende koeien, snuffelt aan elk interessant bloemetje en wordt helemaal gek bij het zien van twee waggelende alpenmarmotten.

Bij terugkomst veegt ze zich verwoed af aan mijn beddengoed om vervolgens tevreden ruftend in slaap te vallen op mijn slaapzak. Mijn voorraadje droge kleren slinkt met de dag, in de bus hangt een doordringende natte-hondengeur en af en toe heb ik wat slokken whisky nodig om de moed erin te houden, maar we hebben het goed. Tot mijn eigen verbazing vermaak ik me prima. Mijn oververmoeide brein lijkt met elke stap meer tot rust te komen en de eindeloze regen draagt op een vreemde manier bij aan het gevoel van avontuur. Een Engels maatje van me zei ooit: ‘You seem to have a passion for suffering’ en ik moet grinnikend constateren dat hij gelijk heeft.  

Dan breekt de laatste dag aan. De lucht is strakblauw en de zon werpt zijn eerste stralen op de intens groene bergflanken. Snel zet ik een pot koffie en werk ik een bak havermout naar binnen. Al mijn kleding is ondertussen vochtig maar na wat gesnuffel vind ik een shirt dat nog niet heel erg hard stinkt. Goed genoeg.

Ik prop mijn modderige rugzak vol met water en snacks en dan gaan we op weg naar de Widdersteinhutte. Een wandeling van zo’n 6 uur over rotsachtig terrein. Een wandeling die ik al een week lang wilde doen maar wat me niet verantwoord leek gezien het weer.

In rap tempo klauter ik over steile bergpaadjes, wandel ik langs imposante watervallen en kom ik al snel boven de boomgrens. ‘Jij zit ook altijd vast in de hoogste versnelling’ hoor ik Pim in mijn gedachten mopperen terwijl ik onvermoeibaar doorwandel. Want dat ben ik, realiseer ik me. Twee weken geleden kon ik amper mijn bed uitkomen en barstte ik bijna in tranen uit bij het idee van nóg een drukke werkdag, nu klauter ik zonder moeite naar zo’n 2000 meter hoogte, met Frodo op de arm waar dat nodig is.

Al snel bereik ik het hoogste punt van de bergpas en word ik beloond met het uitzicht waar ik zo naar verlangde. Bergen. Zover als ik kan kijken. Groene dalen en besneeuwde toppen, met slechts hier en daar tekenen van de hectische beschaving die zich beneden in de diepte bevindt. Het is alsof ik al mijn stress en zorgen in het dal heb achtergelaten en ik voel me lichter dan ooit. ‘Kon ik hier maar blijven..’ verzucht ik in mezelf. Omringd door adembenemende toppen, bloemenvelden en een Frodo die vindt dat ze nu TOCH ECHT WEL EEN STUK KAAS VERDIEND HEEFT VERDOMME!!!

Na een korte snackpauze is het toch echt tijd om weer richting het dal te gaan en beginnen Frodo en ik aan de afdaling. Maar. Naar beneden blijkt dus een tikkeltje uitdagender dan naar boven klauteren. Oeps.

Bij een bijzonder steil stuk neem ik Frodo op de arm en bekijk ik eens kritisch hoe ik dit ga aanpakken. Rechts van me is een diepe afgrond waarin ik een rivier hoor bulderen. Links van me bevind zich een gladde rotswand met hier en daar een klein randje waar ik me aan vast kan houden. Het pad zelf bestaat uit een serie aflopende stenen die een soort natuurlijke trap lijken te vormen. Door de natte omstandigheden van afgelopen week zien de stenen op het pad er echter zo glad uit dat het onmogelijk lijkt om erop te gaan staan zonder uit te glijden.

De enige optie lijkt om mezelf op mijn achterste naar beneden te laten zakken met Frodo op de arm. Ik ga zitten en probeer me schrap te zetten met mijn rechtervoet terwijl ik mijn linkervoet op een tree lager probeer te krijgen. Frodo lijkt het een grappig spelletje te vinden en begint speels in mijn vlecht te bijten die over mijn schouder hangt. Afgeleid door het plotselinge getrek aan mijn haar voel ik plots mijn rechtervoet wegglijden en stuiter ik op mijn achterste naar beneden over de gladde stenen. Met een luid ‘krrgggg’ laat mijn wandelbroek weten dat hij nu echt genoeg heeft van mijn fratsen, en een halve seconde later kom ik tot stilstand in een modderpoel onderaan het steile stuk.

Enigszins verdwaasd check ik of alles nog heel is, om vervolgens proestend in lachen uit te barsten.

Ik moet lachen om mezelf, omdat ik het elke keer weer presteer om mezelf in onmogelijke situaties te manouvreren. Lachen om Frodo, die dolblij lijkt te zijn ondanks het feit dat ik haar al een week meesleep over modderige paadjes in de stromende regen. Ik moet lachen omdat ik hier verdorie een partijtje gelukkig zit te wezen. Alleen, met een eigenwijze Zweedse Herder in een modderpoel, stinkend naar natte hond, met geschaafde armen en een scheur in mijn beste wandelbroek.

Gelukkig omdat ik eindelijk rust ervaar in mijn altijd drukke brein. Gelukkig in mijn eentje, met de zon op mijn gezicht en het geruis van watervallen op de achtergrond. Gelukkig in de wetenschap dat ik, als het nodig is, de boel de boel kan laten en kan zeggen: ‘The mountains are calling and I must go.’

Dagboek van een ADDer

Het is weer zo’n dag: vanaf het moment dat ik wakker werd is het een enorme chaos in mijn hoofd. Dromen, ideeën en gedachten buitelen over elkaar heen en schreeuwen om aandacht en energie. Het interieur van mijn kleine huisje weerspiegelt de warboel in mijn hoofd. De keuken staat vol met afwas en 10 kilo courgettes uit de moestuin die om aandacht vragen, de vloer ligt bezaaid met hondenspeeltjes en stukken kachelhout en de vensterbank ligt vol met kluwen snoertjes en stervende planten. Hiertussendoor stuitert Frodo, onze eigenwijze Zweedse Herder, vrolijk rond. Gelukkig zijn Frodo’s gedachten en emoties een stuk minder gecompliceerd dan de mijne en bestaan deze voornamelijk uit het volgende: ‘POEPEN! ETEN! KNUFFELEN! EN WEL NU!!!’.

Maar oké. Chaos dus. Vrijwel continu. Best vermoeiend.

Schrijven lijkt de enige oplossing. Door te schrijven lukt het me tot op zekere hoogte om enige orde aan te brengen in mijn gedachtestromen en kan ik als het ware alle verschillende emoties, gedachten en woeste plannen opbergen in verschillende mapjes, net als de documenten op mijn computer.

Vaak gaat het vervolgens enige tijd goed, totdat alle opslagruimte weer te vol raakt en ik volledig vastloop met huilbuien, hyperventilatie-aanvallen en een enorme drang om te emigreren naar een eenzame berg in de Andes tot gevolg. Enige remedie bij een dergelijke crash: uitzetten, met rust laten en na een tijdje kijken of de boel weer opnieuw opgestart kan worden.  

Het was de psycholoog die opperde dat ik iets met deze schrijfsels moest doen. Ze vond mijn observatievermogen opmerkelijk en dacht dat andere mensen het misschien leuk zouden vinden om af en toe eens mee te lezen. Het idee om anderen een inkijkje te geven in mijn brein vond ik doodeng, maar aangezien ik altijd roep dat het goed is om enge dingen te doen vond ik dat ik toch een poging moest wagen.

Vandaar de start van dit blog. Vol enthousiasme begon ik aan verschillende artikelen. Over klimmen, over reizen en over wonen in het klein op Terschelling. Op dit moment heb ik minstens vijftien half afgemaakte artikelen in mijn documenten staan, die allemaal nog steeds wachten op een vervolg.

Het probleem? Structuur. Of eigenlijk: het gebrek eraan.

Alhoewel ik af en toe iets samenhangends produceer, zijn de meeste van mijn verhalen net zo chaotisch als de warboel in mijn hoofd. Dan begin ik met een filosofisch reisverslag over mijn laatste klimtrip naar Catalonië en eindig ik met het perfecte recept voor bananenbrood en een betoog over waarom het een vet goed idee is om een ezeltjesopvangboerderij te beginnen. Gevolg: veel artikelen worden door mijzelf in het mapje ‘slaat nergens op’ geplaatst en kwijnen vervolgens weg in een stoffig rommelig hoekje van mijn harde schijf.

Toch vind ik dit ergens jammer. Deze verhalen, avonturen en observaties zijn een belangrijk deel van wie ik ben en door deze te kwalificeren als ‘niet goed genoeg’ voelt het alsof ik mijn eigen persoonlijkheid een onvoldoende geef. Het oorspronkelijke doel was om een inkijkje te geven in mijn wereld maar ergens onderweg werd ik onzeker, raakte ik afgeleid en vergat ik wat ik nou eigenlijk ook alweer aan het doen was.

Vandaar mijn behoefte om even opnieuw te beginnen. Even te resetten.  

Gezien het feit dat chaos de enige constante is in mijn nogal turbulente leven, bedacht ik vanmorgen het volgende plannetje voor mijn schrijfsels: chaos als structuur. Dus bij deze: minder perfectie, minder structuur en samenhangende verhalen en; meer warboel, meer onvolkomenheden en meer nergens-op-slaande woeste plannen.

Dus ben je benieuwd naar klimavonturen in Catalonië, het perfecte recept voor bananenbrood en waarom het een vet goed idee is om een ezeltjesopvangboerderij te beginnen? Lees dan vooral mee. Heb je al genoeg aan je eigen chaos? Dan is het wellicht een goed idee om je browser te sluiten en op te gaan ruimen. Zou ik ook moeten doen.

Een stap terug om vooruit te kunnen

Zoals velen van jullie ondertussen weten wonen Pim  en ik klein, heel erg klein. Op zo’n 25 vierkante meter om precies te zijn. Wie nu een schattige tiny house voor zich ziet, ergens op een idyllische locatie omringd door biologische moestuinen, bossen en weilanden moet ik helaas uit de droom helpen. Ons kleine huurstudiootje bevindt zich op twee hoog in een klein appartementencomplex aan de haven van West-Terschelling. Het enige idyllische aan onze woonruimte is het uitzicht, en dat is werkelijk fantastisch.

Bijna elke ochtend zie ik de zon opkomen boven de Waddenzee. Dan zit ik met mijn kopje koffie in de vensterbank te kijken hoe de lucht verandert in een kleurenspel van diepblauw, roze en oranje. Op heldere dagen kunnen we vrijwel de hele kust van Friesland ontwaren, inclusief rookpluimen en miniatuurwindmolens.

Als het donker is markeren de rode en groene lichtjes van de boeien de vaarroutes over de Waddenzee, en werpt de Brandaris elke 5 seconden een baan licht over de grote watermassa die zich voor ons raam uitstrekt. Af en toe worden we ’s nachts wakker geschud door de ronkende motoren van de reddingboot of één van de bergingsbootjes die vlak voor ons gebouw aanleggen. Dan realiseren we ons dat er iemand naar het ziekenhuis moet, of dat er ergens op zee een schip hulp nodig heeft van de bergingsmaatschappij.

Maar hoe groots ons uitzicht ook is, ook zijn er tal van kleine ergernissen en problemen waar je tegenaan loopt als je met twee volwassenen en een eigenwijze hond op 25 vierkante meter moet leven.

Zo is het om te beginnen altijd een chaos in ons studiootje. Doordat de helft van de muren schuin zijn is er namelijk maar tegen één wand ruimte voor een kast. Deze kast, zo’n Ikea vakkenkast, doet dienst als kledingkast, boekenkast, drankkast en klimmateriaal-opbergkast. Nu denk je misschien dat we mega-georganiseerd zijn aangezien we zoveel zooi in die kast weten te krijgen, maar niets is minder waar (nouja, Pim is redelijk georganiseerd, ik ben een enorme chaoot). Mijn manier van opruimen bestaat voornamelijk uit mandjes uit de kast trekken om erachter te komen waar nog een vierkante centimeter beschikbare ruimte te vinden is. Het resultaat hiervan is dat mijn telefoonoplader ergens tussen mijn ondergoed ligt, de Whisky tussen de klimtopo’s staat en de helft van mijn kleding in een kratje gepropt zit samen met gasbranders, magnesium en een set schroevendraaiers.

De spullen die niet in deze kast passen liggen verspreid door de ruimte, voornamelijk op het keukenbarretje dat tevens dienstdoet als chemisch laboratorium, werkplek en surfplank-repareer-werkbank.     

Daarnaast levert het gebrek aan buitenruimte ook enige ongemakken op. Zo hebben we bijvoorbeeld geen ruimte om onze natte wetsuits te laten drogen. Deze hangen noodgedwongen in de douche, vanwaar ze gestaag de penetrante geur van nat neopreen door onze woonruimte verspreiden. Deze geur vermengt zich vervolgens met putlucht, afkomstig uit het niet-functionerende doucheputje, en etensluchten uit onze keuken-zonder-afzuigkap. Alles bij elkaar vormt dit een bijzonder geurenpalet dat ik alleen maar kan omschrijven als: bijzonder muf.

‘Ja maar, dan zet je toch gewoon een raam open?’ hoor ik je denken, maar daar zit nou juist het probleem. Het raam van onze keuken-zonder-afzuigkap wil namelijk maar een heel klein stukje open aangezien de kraan in de weg zit. Het raam aan de voorzijde, dat uitkijkt over de Waddenzee, kan eveneens maar een klein stukje open. Bovendien betekent ‘aan zee wonen’ dat je vaker wel dan niet te maken hebt met een wind van windkracht 6 of hoger die, in ons geval, pal op het raam staat. Door dit raam open te zetten creëer je niet een vlaagje tocht, maar een heuse indoor tornado waar je krullen recht overeind van gaan staan.

Klein wonen is dus niet alleen maar idylle, romantiek en biologische moestuinen, zoals de tiny house beweging je wilt doen geloven. Toch heb ik geen moment spijt gehad van de beslissing om onze ruime twee-onder-een-kapwoning op te geven om klein te gaan wonen op mijn thuiseiland. In het grote huis in Havelte voelde ik me verloren, alsof mijn leven een weg ingestuurd werd die me steeds verder bij mezelf vandaan bracht. Verhuizen naar een micro-appartement lijkt voor velen misschien een flinke stap terug op de maatschappelijke ladder, maar voor mij voelt het als een stap dichter naar mezelf. Hier op het eiland kan ik weer ademen (zelfs omgeven door het bijzonder muffe geurenpalet) en voel ik me – ondanks alle coronamaatregelen- vrijer dan ooit. Ik kan alleen maar dromen over hoe fantastisch het dan wel niet moet zijn als we straks weer mogen reizen, klimmen en op het terras van de zon mogen genieten.

Toch betekent dit niet dat we eeuwig in ons kleine studiootje blijven wonen. Sterker nog, we gaan in het voorjaar verhuizen naar een plekje iets verderop in het dorp. Dit huisje is nog steeds klein, maar heeft een afzuigkap (jeej!), ramen die open kunnen (jeej!) en een tuin (driedubbel jeej!).

Natuurlijk gaan we ook in dit huisje tegen imperfecties aanlopen, maar dat is oké. Het leven is namelijk nooit perfect, en dat is precies zoals het zou moeten zijn. Want de imperfecties in het leven houden ons in beweging. Zorgen ervoor dat we blijven vernieuwen, ontdekken en uitproberen. Soms pakt dit goed uit, soms iets minder. Daar kunnen we dan van leren zodat we nieuwe stappen kunnen zetten. Of een stapje terug, want soms moeten we een stap terug doen om vooruit te kunnen. 

Wonen op 25 m2 in tijden van corona

Begin dit jaar schreef ik over vrijheid. Over klein wonen en groots leven. Over het vaarwel zeggen van zekerheden om meer te kunnen reizen. We verkochten ons huis in Havelte, Pim zou na de zomervakantie stoppen met zijn baan als leraar en een klein studiootje op Terschelling zou gaan fungeren als thuisbasis. Een veilige haven waar we naar terug zouden keren tussen het reizen en klimmen door.

Toen kwam Corona, gingen de grenzen dicht en verdween mijn jaarinkomen als sneeuw voor de zon. Vrijheden werden verder ingeperkt dan ooit, zonder dat er zicht was op verbetering. Geen licht aan het einde van de tunnel, geen wolk met een zilver randje.

In een staat van lichte paniek gooiden we de meest essentiële spullen in mijn roestige bus en vertrokken we naar het eiland. Wat een rustige overgang zou zijn naar ons nieuwe leven veranderde in een gehaaste vlucht.

Het verhuizen zelf was zo klaar, veel plek voor meubels heb je immers niet in een studiootje van 25 vierkante meter. De versleten meubels uit mijn studententijd bleken meer geschikt voor ons nieuwe leven dan de meubels uit Havelte, en zo kwam het dat onze luxueuze boxspring vervangen werd door mijn oude Ikea uitschuifbed, de grote hoekbank plaatsmaakte voor een compacte tweezitter, en de kledingkast überhaupt helemaal achterbleef. De weinige kledingstukken die we meenamen propten we in manden en laden, overal waar plek was eigenlijk. 

Op mijn verjaardag ging de ‘intelligente lockdown’ in. Dit betekende onder andere dat Pim ging lesgeven vanuit huis. Voor een normaal huishouden brengt dit al enige uitdagingen met zich mee, maar als je met twee personen (en een eigenwijze hond) leeft, kookt en slaapt in één kleine ruimte wordt het helemaal ingewikkeld. De gemiddelde doordeweekse dag zag er ongeveer uit als volgt:

Elke ochtend om zeven uur werden we gewekt door de veerboot. De loeiende scheepshoorn was voor Frodo hét signaal dat ze op ons bed mocht springen (iets wat ze zelf had verzonnen). Pim probeerde eerst nog de ‘Frodo-mag-niet-op-het-bed-regel’ te handhaven, maar stiekem vond ik het wel vrolijk wakker worden. Na enkele minuten geknuffeld te hebben gingen we uit bed en stapelden we de twee losse matrassen op. Vervolgens konden we het bed inschuiven om iets meer ruimte te creëren.

Als ik terugkwam van mijn ochtendwandeling met Frodo zat Pim meestal al achter zijn computer. Via vele verschillende schermpjes kon hij zijn leerlingen in de gaten houden en andersom. Dit hield in dat onze kleine studio, naast keuken, slaapkamer en woonkamer, nu ook ineens fungeerde als klaslokaal. Iets waar Pim me meerdere keren paniekerig aan moest herinneren als ik weer eens halfnaakt door de kamer liep.

Net als vele anderen had ik door de lockdown ineens veel meer vrije tijd dan normaal. Waar andere mensen gingen klussen, Netflixen of brood bakken, stortte ik me op mijn klimtraining om mijn constant malende brein tot rust te brengen. Het fenomeen ‘coronakilo’s’ was mij dan ook volkomen vreemd. Probleem was echter wel dat ook mijn klimtraining zich afspeelde in onze woonkamer annex slaapkamer, keuken en klaslokaal.

Meestal bestond mijn warming-up uit enkele yoga oefeningen. Terwijl ik uit het zicht van de webcam mijn innerlijke rust probeerde te vinden in de ‘downward facing dog’ pose deed Frodo steevast haar uiterste best om mijn neus op te eten. Aangezien rustig ademhalen nogal lastig is als er een hondentong in je neus zit gaf ik mijn pogingen om mijn chakra’s te balanceren vaak al snel op.

Vervolgens was het tijd voor pull-up training. Vlak naast Pim zijn werkplek (het kleine uitschuifbare eettafeltje) hadden we een provisorische trainingsplek gemaakt waar we het hangbord hadden opgehangen. Terwijl arme Pim met een uitgestreken gezicht het verschil tussen zuren en basen probeerde uit te leggen aan een stel verveelde pubers deed ik mijn best om me – zonder geluid te maken – zo vaak mogelijk op te trekken in twee minuten. Frodo probeerde tegelijkertijd vrolijk in mijn voeten te happen, zo hielden we elkaar een beetje bezig. Als Frodo genoeg kreeg van dit spelletje nestelde ze zich in de vensterbank, of bestudeerde ze de verschillende bloempotten om te kijken tussen welke jonge plantjes ze haar kluifje nu eens zou begraven (de paprikaplantjes hebben dit helaas niet overleefd).     

Aan het einde van de dag waren we beiden meestal doodop. Pim van het thuiswerken, ik van mijn pogingen om mijn op hol geslagen brein tot rust te brengen. Dan gingen we op de pier zitten, staarden we voor ons uit met een biertje in de hand, terwijl de Waddenzee zachtjes tegen de stenen klotste.

Het was chaotisch, het is nog steeds chaotisch. Maar het is onze eigen chaos, en alhoewel we heel veel ruimte hebben ingeleverd, hebben we er een enorme rijkdom voor teruggekregen. Rijkdom in tijd, en rijkdom in ervaringen. Toen bleek dat zelfs mijn minimale inkomen genoeg was om van rond te komen zakte de paniek en leerden we langzaamaan de chaos omarmen.

Nooit eerder heb ik zo veel met Frodo door de duinen gerend. Nooit eerder heb ik zoveel gezwommen en gesurft in de Noordzee. Nooit eerder heb ik zoveel zonsondergangen gezien, met het warme zand van het Groene strand onder mijn blote voeten.

Er is nog steeds corona, mijn inkomen is nog steeds instabiel, en de grenzen zijn nog steeds zo goed als dicht. Toch voel ik me rijker dan ooit. Vrijer dan ooit. Er zijn veel onzekerheden in ons leven, en dat is precies zoals ik het hebben wil. Want waar zekerheden verdwijnen, ontstaan mogelijkheden.  

Vrouwen surfen niet in de winter

   ‘Vrouwen surfen niet in de winter’ antwoordt de verkoper van de watersportwinkel, met een uitdrukking alsof dit algemene kennis was waarvan ik simpelweg nog niet op de hoogte was. Verontwaardigd kijk ik hem aan. Vrouwen surfen niet in de winter? Nogal wiedes als er geen fatsoenlijke winterwetsuits voor dames te krijgen zijn, mopper ik inwendig.

   Ondertussen sneupt Pim, die nog nooit gesurft heeft, enthousiast door het ruime aanbod herenwetsuits en -surfschoenen. De keuze is reuze: flexibele wetsuits voor in de zomer, meerdere shorties en dikke hooded wetsuits voor in de winter. Met meerdere kanshebbers over zijn arm verdwijnt hij het pashok in en laat mij achter bij de verkoper, die zich zo te zien ietwat ongemakkelijk begint te voelen. 

   ‘Misschien kan ik wel wat bestellen’, oppert hij met weinig enthousiasme, ‘maar dan heb je wel afnameplicht’. Een weinig aantrekkelijk aanbod, wetende dat het vinden van een goed passende wetsuit nogal een uitdaging is, helemaal als je -voor een vrouw- relatief brede schouders hebt door het vele sportklimmen.

   ‘Laat maar’ reageer ik, ‘dan ga ik zelf wel op zoek op het internet’. Opgelucht draait de verkoper zich om en richt zich op Pim die, gehuld in zwart neopreen, het pashokje uit komt wandelen.

   Niet veel later lopen we de winkel weer uit. Pim met een volwaardige surfoutfit, ik met lege handen en een hoofd vol frustraties. ‘Helemaal klaar voor de winter!’ roept de verkoper ons nog na, ‘Veel surfplezier!’

   Als ik later die middag online op zoek ben valt het me wederom op hoe gering het aanbod voor dames eigenlijk is. (Dit beperkt zich trouwens niet alleen tot winterwetsuits, wie op zoek is naar technische klimschoentjes in maat 37 stuit op exact hetzelfde probleem.)

Nadat ik, na lang zoeken, een paar opties gevonden heb dient het volgende probleem zich aan: het gemiddelde winterpak kost zo’n 300 euro. Als je een paar verschillende wil proberen ben je dus al gauw meer dan duizend euro kwijt. Aangezien ik helaas niet beschik over zo’n royale bankrekening zit er niks anders op dan eerst maar eens één pak te bestellen. Zorgvuldig bestudeer ik de maattabel en na veel gemeet bestel ik, op hoop van zegen, een wetsuit waarvan ik hoop dat hij past.

   Een kleine week later ligt het pakket voor mijn deur. Vol goede moed wurm ik me in het dikke neopreen. Tot aan mijn middel gaat het goed. Maar dan.. die schouders. Met veel moeite lukt het me mijn armen en vervolgens mijn schouders in het pak te hijsen. De rits durf ik niet eens dicht te doen, het voelt nu al alsof mijn bovenlichaam vastzit in een bankschroef. Het pak weer uitkrijgen blijkt een nóg grotere opgaaf te zijn. Veel geworstel, gezweet en een kleine paniekaanval later heb ik mezelf eindelijk bevrijd. Die gaat terug, mompel ik in mezelf terwijl ik een boze blik werp op het hoopje neopreen.

   In de retourvoorwaarden lees ik dat het zo’n drie weken kan duren voordat het geld terug wordt gestort op mijn rekening. Me ervan bewust dat ik dit ritueel waarschijnlijk meerdere keren moet herhalen voordat ik iets vind dat past breng ik het pakket naar het postkantoor. Eerst maar eens wachten tot ik het geld terug heb, daarna begint mijn zoektocht weer van voor af aan.

   Ondertussen worden de dagen korter, het water kouder en de golven hoger. En surf ik verder. In mijn zomerwetsuit. Loop ik gehuld in een dun laagje neopreen over het strand terwijl de wind aan mijn haren rukt. Stort ik mezelf in de koude herfstgolven van de Noordzee, omdat die nou eenmaal veel mooier zijn dan die in de zomer. Samen met mijn twee trouwe surfmaatjes. Twee vrouwen om precies te zijn. Jeweetwel, van die tere wezentjes, die niet surfen in de winter.

Gezond verstand

Gisteren werden de nieuwe coronamaatregelen gepresenteerd. Maatregelen die we allemaal konden zien aankomen, iedereen die kan tellen snapt immers dat het de laatste tijd niet de goede kant op ging met de cijfers. In het voorjaar maakte ik me nog kwaad over de gedwongen sluitingen en de -in mijn ogen- nutteloze looproutes, markeringen en schreeuwerige borden die overal verschenen. Wij Nederlanders werden zwaar onderschat door onze regering vond ik. We hebben toch allemaal een gezond verstand, kunnen heus wel inschatten wat anderhalve meter is en hebben toch geen boa’s nodig om ons te vertellen dat we niet knus met twaalf man aan één tafel kunnen zitten?

Na deze zomer op Terschelling moet ik helaas terugkomen op mijn eerdere standpunt. In tegenstelling tot wat ik dacht beschikt een groot deel van de Nederlanders helemaal niet over een gezond verstand. Of anders vervliegt vrijwel alle intelligentie zodra deze landgenoten van de veerboot afstappen, samen met alle kennis van verkeersregels.

Het begint al op het haventerrein. De eilander rederij doet er alles aan om de toeristenstromen in goede banen te leiden, maar het mag niet baten. Blind voor alle borden, lichtzuilen en personeelsleden die tevergeefs proberen de mensen afstand te laten houden verplaatsen de toeristen zich in opeengepakte troepen over het haventerrein. Een groepje eerder gearriveerde gasten vond het havenplein bovendien dé plek bij uitstek om een potje te gaan volleyballen. Verbaasd kijken ze op als er ineens hordes toeristen met rolkoffertjes hun spelletje komen verstoren.

Even verderop op de Willem Barentszkade is een heuse file ontstaan, een zeldzaam gezicht op Terschelling. Terwijl ik me zo snel mogelijk tussen de wachtende mensen en auto’s door probeer te manoeuvreren wordt al snel duidelijk waarom.

Midden op de weg proberen 6 volwassen toeristen zich in een netjes gerestaureerde Suzuki Samurai te proppen. (Voor wie dit model niet kent: hij is kleiner dan de gemiddelde Fiat Panda.) Nu lijkt me dit gezien de verkeersveiligheid in geen enkel geval een goed idee, en in coronatijden al helemaal niet. Na veel acrobatische toeren lukt het de laatste toerist om zich over de drie mensen op te achterbank te draperen. Met één been uit het raam lukt het nog net om het autodeurtje dicht te krijgen waarna de lange rij auto’s langzaam weer in beweging komt.

Me nog verwonderend over het Samurai tafereel haast ik me langs een jong stel met Louis Vuitton koffers die zich verontwaardigd afvragen waar de kruiers zich verstopt hebben. Dan ben ik vrij. Zigzaggend door de pittoreske smalle straatjes van Oud West loop ik naar mijn minuscule appartementje, op zoek naar een zeldzaam moment van rust in deze bizarre tijden.

Begrijp me niet verkeerd, ik – en vele eilanders met mij – zijn enorm dankbaar dat we deze zomer zoveel toeristen hebben mogen ontvangen (ook hele leuke!). Vrijwel alle ondernemingen zijn afhankelijk van het toerisme en de paniek was dan ook groot toen in het voorjaar alles stil kwam te liggen.

Waar we echter geen rekening mee hadden gehouden was dat een deel van de vakantiegangers meende dat ze zich in hun vakantie niet meer aan de regels hoefden te houden. Zodra ze van de boot afstapten werd de anderhalve meter overboord gegooid, kon men ineens niet meer tellen en werd men doof en blind voor de instructies en oproepen van de eilander ondernemers.

Ook de maatregel ‘in je eentje boodschappen doen’ was zeer moeilijk te bevatten voor veel families. Nadat de plaatselijke supermarkten genoodzaakt waren om beveiliging bij de deur neer te zetten bedachten gezinsleden snode plannetjes om alsnog met zijn allen naar binnen te kunnen om vervolgens voor het zuivelschap een half uur te discussiëren over welk stukje kaas ze zouden kopen. Supermarktmedewerkers die de gezinnen erop attendeerden dat dit niet de bedoeling was konden rekenen op vuile blikken en heftige discussies.   

Natuurlijk snap ik dat we allemaal behoefte hebben om alles even te vergeten. Dat we allemaal even zorgeloos willen genieten van de illusie van vrijheid. Dat we even gezellig met zijn allen op een terrasje willen zitten alsof er niks aan de hand is. En ach, zo in de buitenlucht maakt die anderhalve meter ook niet zoveel uit toch?

Wij als eilander ondernemers snappen dat heel goed, we staan niet voor niets bekend om onze gastvrijheid. Maar terwijl het grootste deel van de toeristen weer huiswaarts keert krijgen wij te maken met de nasleep van dit gedrag. Ik zie hoe mijn horecaburen gedwongen worden hun deuren te sluiten, ik zie dat mijn andere hardwerkende buurvrouw de politie over de vloer krijgt en dat de supermarkt in de clinch ligt met de gemeente.

Omdat het voor een deel van onze gasten te ingewikkeld is om huishoudens aan te geven, in hun eentje boodschappen te doen en om anderhalve meter afstand te houden krijgen wij te maken met boetes, gedwongen sluitingen en misschien zelfs faillissementen. Dus bij deze een oproep aan alle toeristen wiens gezond verstand vervliegt zodra ze van de boot afstappen: begrijp alsjeblieft dat de eilander ondernemers de prijs betalen van jouw onwil, begrijp alsjeblieft dat jouw favoriete kroegje failliet kan gaan omdat jij het niet nodig vindt om anderhalve meter afstand te houden, begrijp alsjeblieft dat jouw onvermogen om te tellen ertoe kan leiden dat mijn buurmeisje straks niet meer naar paardrijles kan, of erger nog; haar huis uit wordt gezet.  

Wellicht is het een idee om het verplicht te maken om, naast een negatieve coronatest, ook een bewijs van vaardigheid te overleggen voordat reizigers de boot op mogen. Met dit bewijs van vaardigheid laat men zien dat ze kunnen tellen, de definitie van ‘huishouden’ begrijpen en weten hoe ons metrisch stelsel werkt. Laten we – nu we toch bezig zijn – hier ook enkele basiskennis over de verkeersregels aan toevoegen, om Suzuki Samurai-leed in de toekomst te voorkomen.  

Verwend

Twee keer per jaar moet ik naar de randstad. Dan racen we in een zo kort mogelijke tijd heen en weer tussen Harlingen, Amsterdam, Den haag en Alphen aan de Rijn om nieuwe collecties in te kopen voor de winkel op Terschelling. Dan verwonder ik me over de ongelooflijke drukte in die wereld van beton en asfalt, en ben ik elke keer weer dolblij als we de afsluitdijk naderen, op weg terug naar het rustige noorden.

Deze zomer komt de randstad naar ons toe. Verwelkomen we een ‘nieuwe soort toeristen’ op Terschelling. Toeristen die anders naar Costa Rica waren gevlogen, of naar Bali, Kaapverdië of de Malediven.

Volgens de Leeuwarder Courant is deze toerist een beetje verwend. Normaal gesproken vliegen ze de hele wereld over om te verblijven in luxe, duurzame ecoresorts maar vanwege de coronacrisis moeten ze noodgedwongen hun heil zoeken in eigen land. Vandaar dat de autodekken van de veerboten al wekenlang volgeboekt zitten en de krappe parkeerplaatsen op Terschelling uitpuilen met dubbel geparkeerde Tesla’s, Volvo’s en glimmende Audi’s.

Doorgewinterde eilandgangers weten allang dat je je auto het beste achter kunt laten op één van de parkeerterreinen in Harlingen. We hebben hier op de Wadden namelijk een veel efficiënter vervoermiddel: de fiets (nee, geen elektrische!). Dit volledig draadloze apparaat brengt je naar het einde van de weg en daar voorbij, en heeft bovendien een positief effect op zowel de fysieke als mentale gesteldheid.

Maar goed, verwend dus. Dit nieuwe type toerist is all-inclusive vakanties gewend en moet nu zelf dingen gaan organiseren. Bij het VVV kantoor komen de globe-trotters verwilderd vragen wat ze moeten doen nu ze alle musea bezocht hebben, en in de winkel zetten mensen grote ogen van teleurstelling op als ik ze vertel dat West-Terschelling slechts twee echte winkelstraten telt.

Een Friese ondernemer suggereert in de krant dat we misschien meer luxe seaview hotels moeten gaan bouwen, zodat deze verwende toeristen volgend jaar misschien nog eens terug komen. Een vreemde suggestie dacht ik, want: moeten we het mooie, rustige en karakteristieke Waddengebied aanpassen om te voldoen aan de grillige wensen van deze ‘toerist nieuwe stijl’? Dit lijkt mij niet. Sterker nog, om deze toeristen verwend te noemen vond ik al enigszins bijzonder. Ben je verwend als je blijkbaar niet meer over de gave beschikt om jezelf te vermaken? Ben je verwend als je de natuurlijke schoonheid van onze prachtige eilanden niet weet te waarderen? Ben je verwend als je zo vervreemd bent van de natuur dat je niet meer durft te dwalen in de duinen en daarom maar blijft rondhangen in het dorp, op zoek naar een park waar je kunt zitten? (true story)  

Het bouwen van luxe seaviewresorts lijkt me dus niet de oplossing. Mijn persoonlijke suggestie? Heropvoedingskampen. Laat onze verwende globetrotters opnieuw kennismaken met de natuur. Leer ze te verdwalen, te ontdekken en te dromen. Laat ze de ultieme vrijheid ervaren op een surfplank in de branding. Geef ze stevige wandelschoenen en laat ze zien dat er een hele wereld bestaat buiten de gebaande paden. Laat ze de magie ervaren van het staren naar een donkere sterrenhemel, vrij van lichtvervuiling en ruis. Laat ze zien dat ‘natuur’ niet enkel een vervelende factor is in het stikstofbeleid, maar een heilzame wereld waarin lichaam en geest kunnen opladen en herstellen.

Investeer dus niet in luxe resorts die onze kustlijnen verpesten, maar zet in op het ervaren en beleven van alles wat het noorden te bieden heeft. Wie weet laten onze verwende globetrotters dan het vliegtuig de volgende keer voor wat het is, verruilen ze de Tesla wat vaker voor de fiets, worden we met zijn allen een fitter en gezonder volk en kunnen we en passant ook nog eens de klimaatdoelen behalen.

Verstandig

   Afwezig bestudeer ik mijn gehavende handen terwijl de trein door het Nederlandse landschap raast. Het vel op mijn vingertoppen is grotendeels afgesleten door het scherpe kalksteen van El Chorro en de rug van mijn hand wordt gesierd door een spinnenweb van rode krassen.

   In mijn gedachten reis ik terug naar het kleine Spaanse bergdorpje dat ik met elke minuut in de trein verder achter me laat. Ik denk en Jakob en Arthur, in hun kleine bed in de Renault Kangoo. Aan Billy en Andrea, die hun baan opzegden om een jaar te kunnen klimmen en reizen. Ik denk aan Corneel, die al drie maanden in de uitgestrekte bossen onderaan de rotsen leeft om te ontsnappen aan de hectiek van het westerse bestaan. Ik denk aan de Olive Branch, het gezellige klimmershostel waar de stroom zo vaak uitviel. Waar we gitaar speelden en liedjes zongen terwijl de zon zijn laatste stralen op de oranje rotswanden wierp.

   Ik schrik op uit mijn gedachten als een krakerige stem meedeelt dat we dadelijk station Meppel binnen zullen rijden. Naast me zit een vrouw verwoed op haar laptop te tikken. Ze zucht geïrriteerd als ik aanstalten maak om mijn tas te pakken.

   Op het station word ik opgewacht door Pim. Pim de leraar, die wegens vaste schoolvakanties niet mee kon op klimreis. Pim de verstandige, met een vaste baan en een koophuis in een degelijke wijk in Havelte. Pim de lieverd, de betrouwbare arm om mijn schouder waar ik altijd op kan rekenen. Verwoed probeer ik het gevoel dat ik stik weg te slikken. Na een lange omhelzing kijken we elkaar aan. Ik vraag me af of de afstand die ik tussen ons voel te zien is in mijn ogen.

   Ondertussen zijn we vier weken verder. Het huis in Havelte staat te koop, mijn oma heeft zich drie keer omgedraaid in haar graf en mijn schoonmoeder doet heel erg haar best doen om niet allemaal verwensingen naar mijn hoofd te slingeren.

   Ons nieuwe huisje heeft vier wielen en een ronkende dieselmotor. Daarnaast zal een piepklein studiootje op Terschelling dienen als basiskamp. Ruimte voor een vaatwasser is er niet, evenals plek voor de luxe hoekbank van nog geen jaar oud. Ook de comfortabele boxspring belandt op marktplaats, gevolgd door een assortiment aan kasten, stoelen en elektronische apparaten waarvan ik het nut sowieso nooit echt begrepen heb.

   Met elk item dat verkocht wordt voel ik mezelf lichter worden. Alsof de dwangbuis die ik mezelf heb aangetrokken met elke ademteug iets losser komt te zitten. Ik denk aan al die beslissingen die ik in het verleden maakte. Dingen die ik deed ‘omdat het verstandig was’ of ‘omdat het nou eenmaal zo hoort.’ Al die verstandige beslissingen leiden misschien tot een maatschappelijk geaccepteerd leven, maar wat als je erachter komt dat zo’n leven helemaal niet bij je past? Wat als je erachter komt dat al dat bezit alleen maar ballast is dat tussen jou en je vrijheid instaat? De wereld is als een boek. Als je altijd op dezelfde plek blijft, lees je dan niet eigenlijk maar één pagina?

   Ik kijk om me heen in het almaar leger wordende huis en kan alleen maar opluchting voelen. Dit hoofdstuk in mijn boek is ten einde gekomen. En ik? Ik kan niet wachten om de pagina om te slaan, op zoek naar nieuwe verhalen om de lege bladzijden mee te vullen.