Hersenspinsels

 ‘Ik begrijp hoe de maatschappij werkt en voel mezelf een onderdeel hiervan’ aldus één van de vele stellingen waaraan ik een score moet geven. 1=helemaal mee oneens en 5=helemaal mee eens.

De klok in de hoek tikt zachtjes door, aan de muur hangen kaartjes met motiverende spreuken, en voor me zit de psycholoog afwezig naar haar telefoon te staren. Vandaag is onze laatste afspraak. De online vragenlijst voor me moet aangeven hoe het staat met mijn gesteldheid. Of ik weer zonder begeleiding mag rondzwerven in onze samenleving.

Ik aarzel. Als ik 1 invul, zou de psycholoog dan vaststellen dat het nog steeds niet goed met me gaat? Zou ik dan terug moeten komen, net zolang tot ik me op mijn gemak voel als klein radartje in de grote machine die de Nederlandse maatschappij vormt?

Zuchtend sluit ik een compromis met mezelf en klik op 3: neutraal. Het probleem is niet dat ik de maatschappij niet begrijp. Ik begrijp heel goed hoe de Nederlandse samenleving in elkaar steekt. Wat ik echter niet snap is waarom iedereen braaf het pad blijft volgen dat de politiek al jarenlang voor ons heeft uitgesleten. Is het omdat het makkelijk is? Omdat we het echt willen? Of omdat we zo diep zijn weggezakt in de groeven van het pad dat we er niet meer uit kunnen klimmen?

Hoe je het ook wendt of keert, we leven in een prestatiemaatschappij waarin succes wordt bepaald door status en bezit. Een groot huis, een dure auto en een prestigieuze titel als het even kan. Elke maand gaan we braaf kromliggen om de prijs van deze successen te kunnen betalen. Omdat het zo hoort, omdat het nou eenmaal zo werkt.

Maar is dat wel zo?

Steeds vaker komen er verhalen naar boven van mensen die het anders doen, die het materialisme vaarwel zeggen en ruimte maken voor dingen die ze echt belangrijk vinden. De tiny-house beweging is hier een goed voorbeeld van, maar helaas komt dit initiatief tergend langzaam van de grond.

Als je het vertikt om maandelijks gebukt te gaan onder hoge huurprijzen of hypotheeklasten wordt je al gauw de illegaliteit in gedrukt. In Nederland ben je vrij, maar alleen als je je conformeert aan de dwangbuis van de hedendaagse samenleving. Als je een alternatief hebt gevonden dat wel bij je past (bijvoorbeeld het wonen in een bus, om maar iets te noemen), loop je al gauw tegen verschillende problemen aan. Zoals de verplichting om een adres te hebben. Zonder adres vervalt op gegeven moment je stemrecht en kan zelfs je zorgverzekering stopgezet worden. Zelfs als je al die jaren braaf betaald hebt. Nederland zit niet te wachten op mensen die buiten de lijntjes kleuren.

Ik merk dat ik nog steeds naar het scherm zit te staren, verzonken in mijn innerlijke monoloog (is dat wel normaal?). Plotseling overtuigd wis ik mijn antwoord en vervang het door 1: Helemaal mee oneens. Ik voel mij niet thuis in deze maatschappij. Niet in een maatschappij waarin mensen zich over de kop werken om maar te voldoen aan alle verwachtingen. Niet in een maatschappij waarin je je moet ketenen aan een adres en de bijkomende lasten, ‘omdat het zo hoort’. Ik ga mijn best doen om uit de groeven van het uitgesleten pad te klimmen, en dat klimmen? Laat ik daar nou juist heel goed in zijn.

De geschiedenis van de knuffelpenis

In het stukje ‘over mij’ heb ik het over een knuffelpenis. Frodo en haar knuffelpenis om precies te zijn. Kennissen met een psychologenachtergrond verwonderden zich over dit verhaal. Symboliseerde de knuffelpenis een groot gemis in mijn leven? Of bevond ik me misschien in een vergevorderd stadium van penisnijd?

Helaas moet ik jullie vertellen dat geen van deze gevallen van toepassing zijn. Alhoewel het me in sommige gevallen verdomd handig lijkt om staand te kunnen plassen, ervaar ik het niet hebben van zo’n bungelend ding tussen mijn benen niet echt als een probleem in mijn dagelijkse leven. Ook op persoonlijk vlak heb ik niet echt behoefte aan extra piemels. Ook al schijnt polygamie in opkomst te zijn, het lijkt mij alleen maar heel erg ingewikkeld. Dat heeft op zich niet zozeer te maken met de geslachtsdelen zelf, meer met de man en bijbehorende persoonlijkheid die doorgaans aan zo’n penis vast zit. Maar ik dwaal af.

De historie van de knuffelpenis begint in het jaar 2008. Op 17 september om precies te zijn. De heer Pim V. vierde op deze dag zijn 18e verjaardag. Nu was hij niet meer kleine Pimmetje, maar een volwassen man. Uiteraard moest dit heugelijke feit gevierd worden met cadeautjes. In dit geval een enorme knuffelpenis en een selectie bijpassende natuurfilms.

We kunnen enkel gissen naar de omzwervingen die de knuffelpenis daarna heeft gemaakt. Wat we wel weten is dat hij zich elf jaar later ineens in een doos in onze hal bevond. De vader van Pim was zijn huis aan het opruimen, en kwam daarbij nog enkele attributen uit Pim’s verleden tegen. Enthousiast pakte Pim het grote roze ding op en trok aan het vergeelde koordje dat aan de onderkant bungelde. ‘Aw, vroeger trilde hij nog’ merkte hij teleurgesteld op waarna hij het lid weer in de doos deponeerde.

Frodo en haar trouwe vriend

Frodo sloeg het hele gebeuren geïnteresseerd gade en keek met glinsterende oogjes naar het topje van het knuffelapparaat dat nog net zichtbaar was. Voorzichtig zette ze haar puppytandjes erin en trok hem met een ferme ruk uit de doos. De rest van de middag heeft ze dolenthousiast door het huis gerend. De knuffelpenis stuiterde vrolijk achter haar aan.

Sindsdien waren Frodo en de knuffelpenis onafscheidelijk. Overal moest hij mee naartoe. Elke ochtend duwde ze het ding liefdevol in mijn gezicht als ik mijn koffie probeerde te drinken. Hij moest mee met onze wandelingen, er moest mee gegooid worden. Met een uitgestreken gezicht probeerde ik dan de verbaasde blikken van voorbijgangers te negeren terwijl ik het lid met een grote boog door de lucht zwiepte.

Helaas waren deze wandelingen ook de laatste hoogtepunten voor de knuffelpenis. Zijn zachte stof bleek namelijk niet bestand tegen Frodo haar scherpe tandjes. Na enkele weken begon hij te scheuren en verspreidde de vulling witte pluizige wolkjes op het tapijt. Pim, die al meerdere kapotgescheurde hondenspeeltjes gerepareerd had, constateerde met een zucht dat Frodo’s trouwe vriend niet meer te naaien was. De geschiedenis van de knuffelpenis heeft dus een vrij tragische afloop. Hoewel hij zich vrij lang staande heeft gehouden, eindigde hij toch, samen met Frodo’s andere slachtoffers, in de kliko.

Gelukkig heeft Frodo geen problemen met polygamie. Ze heeft ondertussen de liefde verklaard aan beertje, groen konijn, kaas, en haar laatste aanwinst: eend. Lang heeft ze dus niet getreurd om het verlies van de knuffelpenis, er staat immers altijd wel weer een nieuw vriendje in de rij waar ze haar tanden in kan zetten. Heeft ze ze allemaal verslonden? Dan zoekt ze gewoon een nieuw vriendje uit bij de intratuin. Het leven kan zo simpel zijn.

Kom op, we zijn beter dan dat

Ik kijk altijd minzaam en enigszins medelijdend naar nieuwsitems over voetbal. Vanochtend weer: bij amateur wedstrijden in de jeugdklasse, zijn er beveiligers nodig om de veiligheid van de (in dit geval jonge-) scheidsrechters te waarborgen. De supportende ouders willen namelijk nog wel eens een kindscheidsrechter in elkaar trappen. Daarnaast is racisme op de tribunes een terugkerend fenomeen, en bevindt de sport zich qua emancipatie nog in de 19e eeuw. Je hoort het: ik ben geen fan van voetbal.

Ik was stiekem altijd een beetje trots op onze klimgemeenschap. Een gemeenschap waarin iedereen welkom is en geaccepteerd wordt. Een gemeenschap waarin een beginner die een 5b aan het klimmen is net zo hard wordt aangemoedigd als een klimmer in een 8c, en waarin het niet uitmaakt of je groot/klein/jong/oud/homo of hetero bent. Of man of vrouw, we zijn immers beter dan de voetballers niet?

Mijn frustratie was dus groot toen ik het item van de NOS zag over het NK speedklimmen van vorige week zaterdag. Ruim drie minuten besteedde de NOS aan de opkomende klimsport. Goede reclame natuurlijk, maar waar waren de dames die meededen? Waarom werd niet gemeld dat Elbrich Schoorstra het Nederlandse vrouwenrecord heeft verbroken? Waarom werd er alleen gesproken over twintig mannen die naar de Olympische spelen mogen?

In een verklaring meldde de NOS dat het item zich wilde richten op de regerend Nederlands kampioen. Dat het item geen wedstrijdverslag was, maar een introductie van de sport, en dat het niveau van Jules Kluwer hen aansprak. Een zeer politiek correct antwoord, en natuurlijk is het hun journalistieke vrijheid om te bepalen hoe een item eruit komt te zien.

Toch ben ik van mening dat het vooral bij een introductie van de sport belangrijk is om te laten zien dat er ook vrouwen meedoen. Dat er ook vrouwen zijn die snoeihard trainen om records te verbreken. Dat je geen man hoeft te zijn om aan onze fantastische sport mee te kunnen doen.

Laten we alsjeblieft niet in dezelfde valkuilen trappen als de voetballers. Laten we alsjeblieft vanaf het allereerste begin zien dat klimmen ook een sport is voor iedereen. Laten we alsjeblieft niet pas na jaren aandacht besteden aan het feit dat er ook professionele klimsters zijn, zoals gebeurd is bij het damesvoetbal. Laten we alsjeblieft ook vertellen dat er twintig vrouwen naar de Olympische spelen gaan. Niet pas na jaren, maar nu.

Het pas ingevoerde vrouwenquotum illustreert dat we het met alleen goede bedoelingen niet redden. We moeten consequent, vanaf dag één, laten zien dat klimmen ook een sport is voor dames. Noem me irritant, noem me een feminazi, maar elke keer dat de klimsport neergezet wordt als een mannensport zal ik erop wijzen dat dit niet zo is.

De geschiedenis leert dat gelijkheid niet vanzelf komt. We moeten ervoor vechten. Niet later, maar nu. Zodat ik ook in de toekomst, nog steeds minzaam en enigszins medelijdend naar de voetbalnieuwsitems kan kijken.

Frodo versus Koffie

Mag ik alsjeblieft even mijn koffie opdrinken?! Roep ik door het huis. Ik hoor zelf de smekende ondertoon in mijn stem. Frodo zit me met een scheef koppie aan te kijken, oortjes gespitst. Een verder antwoord hoef ik niet te verwachten.

Vandaag is mijn vrije dag. Toen ik vanochtend mijn ogen opendeed had ik nog heerlijke visioenen van een rustig ochtendje met een bak hete koffie in mijn hand, en een goed boek op mijn schoot. Zo’n 10 minuten later heb ik geen boek maar puppiekots op mijn benen liggen (meestal kokhalst Frodo eerst ter waarschuwing, maar dit salvo kwam volkomen onverwacht), en begint de koffie bruine vlekken te vormen op de nieuwe bank. 

Poging twee.  De kots is opgeruimd, ik heb nog één broek gevonden die voor ‘schoon’ kan doorgaan en de vlekken in de bank.. Laten we het daar maar niet over hebben. Met mijn ogen dicht neem ik een slok van mijn -inmiddels niet meer zo hete- koffie. De heerlijke geur van gebrande koffiebonen dringt mijn neus binnen en ik laat de donkere vloeistof rondwalsen in mijn mond alsof het een dure wijn is.

Zweedse Herder Frodo
De kleine harige draak

Ik schrik van een klein grommetje: ze hoeft toch niet weer te spugen? Maar nee, Frodo zit me met een scheef koppie aan te kijken. Ik ken die blik: er moet gepoept worden. ‘Mag ik alsjeblieft, alsjeblieft eerst even mijn koffie opdrinken?’ smeek ik haar. Daar zit ik dan. Een strong, independent woman (nouja, zo zie ik mezelf graag), in discussie met een kleine harige draak van amper tien kilo. Vastbesloten blijf ik zitten. Ik ben de baas, en ik bepaal wanneer er gewandeld wordt, zoals ik heb geleerd van de vele boeken over honden en hun gedrag. Terwijl ik mijn best doe om autoriteit uit te stralen springt Frodo  op de rugleuning van de bank en gaat in mijn nek liggen. Kijk, het werkt! Stel ik blij vast. Ik wil net nog een slok koffie nemen als ik een zacht pffffffrt hoor, pal naast mijn oor. Mijn neus registreert de geur voordat mijn brein doorheeft wat er zojuist is gebeurd.

Zuchtend sta ik op en ga op zoek naar de hondenriem. Niet veel later stap ik met een enthousiast kwispelende Frodo de vrieskou in. Ik had gehoopt op een rustige ochtend met hete koffie, net als dat ik had gehoopt vandaag iets goeds te kunnen schrijven, iets moois, iets met een boodschap misschien wel. Maar zo werkt het helaas niet, steeds opnieuw kom ik erachter dat het leven nooit gaat zoals je het gepland had. Het leven is rommelig, het leven stinkt en spuugt op je, maar eigenlijk -bedenk ik terwijl ik Frodo vrolijk door de bevroren heide zie springen- is dat best oké.   

Koffie, spleetklimmen en een rochelende bus

Morrend doe ik mijn ogen open en steek ik mijn hoofd uit mijn dikke donzen slaapzak. Mijn adem vormt wolkjes en op het raam van mijn camperbusje zie ik kleine ijskristallen. Even overweeg ik om te blijven liggen in mijn warme coconnetje, maar zoals elke ochtend begint mijn brein meteen te schreeuwen om cafeïne.

   In het vroege ochtendlicht bekijk ik de chaos op het bedbankje. Ik vind mijn versleten wollen trui tussen de karabiners, klimsetjes en de klimgordel die ik de vorige avond gedachteloos heb neergesmeten. Terwijl ik aan het rommelen ben met de cafetière hoor ik vlak naast mijn busje een rits opengaan. De geur van koffie heeft Cesar uit zijn tent gelokt.

   Niet veel later parkeer ik de rochelende Volkswagen op de parkeerplaats bij het klimgebied. We zijn vandaag bij de sector Kottenheimer Winfeld, nabij het Duitse plaatsje Ettringen. De zon schijnt en de ijskristallen zijn gesmolten. Het felle licht wordt gefilterd door de kruinen van de oude eikenbomen en werpt een groene waas over het verder verlaten parkeerterrein. Nadat we ons materiaal bij elkaar hebben gezocht verdwijnen we tussen de bladeren. Op zoek naar het beloofde land, in de vorm van metershoog ruw basalt.

    Na een korte wandeling staan we voor ons project van die dag. Eén perfecte rotsspleet loopt verticaal naar boven, ernaast bevinden zich enkele kleine randjes die mogelijk als voet- of handgreepjes kunnen dienen.

   Grijnzend kijk ik Cesar aan, en vraag me af of de twinkeling in zijn ogen ook in de mijne te zien is.

   ‘Dat ziet er hard uit.’

   ‘Ja, mooie spleet.’

   ‘Die randjes lijken me ook best naar.’

   ‘Inderdaad, lekker sketchy allemaal zo te zien.’

Weer die pretoogjes van hem.

   ‘Jij eerst of ik?’

   Daar sta ik dan. Mijn rechtervoet heeft zich vastgedraaid in de spleet, terwijl de vingers van mijn linkerhand hun uiterste best doen om een messcherp randje vast te houden. Ik kijk naar beneden, mijn laatste zekerpunt zit zo’n vier meter onder me. Zat die cam[1] nou goed of niet? Hij leek goed vast te zitten, maar ik betwijfel of hij een val van minstens acht meter zal houden.

   Ik voel een bekende kriebel in mijn borst, een kriebel die al mijn spieren op spanning zet. Alsof al mijn zintuigen in de hoogste versnelling staan. Elke trillende spier, elk zenuwuiteinde, alles voel ik terwijl ik verwoed probeer een volgende cam in de rots te plaatsen.

   ‘Neee f*ck. Deze past niet. K(*&%$W#T. Waarom doe ik dit. Ik haat mezelf. Mijn voet glijdt weg, ik hou dit niet meer. BLIJF ZITTEN KRENG.’

   Eindelijk heb ik de goede maat gevonden, en grijpen de randen van de zekering zich vast in de rots. Ik clip het touw in de snapper[2] en probeer mijn ademhaling weer onder controle te krijgen. De angst is weer geslonken tot een kleine bal in mijn borst. Waar ik hem kan relativeren, weg kan stoppen. Waar ik niet naar hem hoef te luisteren.

   Want is dat niet waarom ik klim? Waarom ik de uiterst nutteloze kunst beoefen van het bestijgen van een stuk steen? Gewoon naar boven is niet genoeg. Nee. Het moet via de moeilijkst mogelijke weg, via de meest onwaarschijnlijke uitstulpingen in de rots, die voor een leek nauwelijks waarneembaar zijn.

   Klimmen dwingt me in het hier en nu. In een wereld waarin alle comfort mijn zintuigen heeft afgestompt, een wereld die geregeerd wordt door bliepjes en schermpjes, klim ik om mezelf terug te vinden. Om de verbinding met mijn lichaam te herstellen. Ik kijk de angst in de ogen, en overwin hem, overwin mezelf. Elke keer opnieuw.    

   Eenmaal boven clip ik het touw vast aan de standplaats. Mijn hoofd is leeg. De innerlijke storm is gaan liggen. Een merel zingt in de boom achter me, en ik kijk naar de schaduwen van dansende bladeren op mijn armen.

   ‘Blok!’ roep ik naar beneden.

 Weer op de grond krijg ik een fist-bump van een breed grijnzende Cesar.

‘Sterk meid! Zag er goed uit.’

    ‘Dank je, was wel even spannend daarboven.’

   ‘Dat kon ik zien ja. Trouwens, ik zat naar die route hiernaast te kijken. Een 7a volgens mij. Wat denk je?’

Ik voel mijn mondhoeken omkrullen tot een glimlach.

   ‘Jij eerst of ik?’  


[1] Mobiele zekering die gebruikt wordt bij rotsklimmen.

[2] Soort karabiner.

Wat betekent klimmen (of een andere sport) voor jou? Laten het weten in een reactie!

Ja maar, dat is een meisje!

‘Ja maar, dat is een meisje!’

Bam. Weg focus. Mijn hand glipt van het messcherpe randje dat ik probeer vast te houden en met een schreeuw van frustratie zeil ik zo’n acht meter naar beneden voordat het touw zich straktrekt en mijn val breekt. Met opeengeklemde kaken staar ik naar de rots voor me. Ik moet me inhouden om niet iets lulligs naar beneden te roepen.

Het jongetje, stomverbaasd dat er ook vrouwelijke rotsklimmers bestaan, wordt ondertussen meegetrokken door zijn rood aangelopen moeder. Ik bevind me te hoog op de rotswand om haar reactie te kunnen verstaan. Zuchtend richt ik mijn concentratie weer op Nishiki Alien, één van de vele klimroutes die het Luxemburgse Berdorf rijk is. Het lukt me echter niet om terug in de flow te komen. Mijn bewegingen zijn harkerig en de irritatie in mijn binnenste begint aan te voelen als een sneeuwbal die almaar groter wordt naarmate hij begint te rollen.

De opmerking is namelijk niet een opzichzelfstaand iets. Telkens wanneer mijn vriend en ik aan het klimmen zijn krijgen we te maken met dergelijk commentaar. Waar mijn vriend blijkbaar voldoet aan het ‘klimmersplaatje’ – breedgeschouderd, flinke spierballen – kijken mensen mij – iele bouw, dunne armpjes – doorgaans verbaasd aan als ze erachter komen dat ik niet alleen maar mee ben om te zekeren.

De meeste opmerkingen zijn goedbedoeld, maar ergens is dat nog wel het ergste. Van: ‘Oh, maar dan brengt hij het touw zeker naar boven?’ tot: ‘Zo, jij hebt vast ergens een stel ballen verstopt!’. De heersende opvatting is nog steeds dat ‘stoere’ sporten vooral mannensporten zijn. Ben je een stoere vrouw? Dan wordt dat alsnog toegeschreven aan mannelijke eigenschappen.  

De vooroordelen zijn overigens niet beperkt tot de klimsport. Overal in de buitensport zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. Tijdens mijn werk als kajakinstructeur in Slovenië waren omstanders geregeld verrast als er een grote bos krullen onder mijn helm vandaan kwam, en een activiteitenbureau waar ik werkte zette me steevast achter het bureau neer. Klanten kregen liever instructie van jonge jongens, stelden ze, en kantoorwerk was meer geschikt voor vrouwen. Je zult begrijpen dat ik hier niet lang in dienst ben gebleven.

Het steekt, dat geef ik eerlijk toe. Nederland predikt gelijkheid, maar ondertussen wordt de loonkloof alleen maar groter, moeten we het recht op abortus ineens opnieuw verdedigen, en kunnen kleine jongetjes het niet bevatten dat vrouwen ook kunnen klimmen.

Waar ik eerst geloofde dat die gelijkheid er vanzelf wel zou komen – we hebben immers allemaal een gezond verstand, dacht ik – begin ik er steeds meer aan te twijfelen of we wel op de goede weg zijn. De opmerking van het jongetje maakt pijnlijk duidelijk dat vooroordelen al op zeer jonge leeftijd gevormd worden. Of het nou ligt aan de tekenfilms waarin prinsessen gered moeten worden door een stoere prins, of de schoolboeken waarin vrouwen nog altijd verpleegsters zijn en mannen wetenschapper, ergens gaat het fout.  Er moet iets veranderen, en wij vrouwen zullen het zelf moeten afdwingen.

Volgende keer als iemand me vraagt waar ik mijn ballen heb verstopt zal ik uitleggen dat zo’n slingerende zak tussen je benen helemaal niet handig is als je je teen naast je oor probeert te zetten, dat kleine vingers veel handiger zijn bij het vasthouden van kleine randjes, en dat de meest iconische rotswand ter wereld (The Nose, Yosemite) voor het eerst is vrijgeklommen door, jawel: een vrouw.

Verstand, instinct en hitsige puppies

‘Dat er zoveel poep uit zo’n klein beestje kan komen’ denk ik verwonderd terwijl Frodo met een gelukzalige blik in haar ogen een grote hoop aan het draaien is. Midden op het zebrapad. Aarzelend blijf ik staan, de naar citroen geurende poepzak in mijn hand. Van twee kanten beginnen auto’s te toeteren, en de langslopende toeristen kijken me misprijzend aan terwijl ze zorgvuldig hun rolkoffertjes om de hoop heen manoeuvreren.  

Met een rood hoofd probeer ik snel zoveel mogelijk poep in het plastic zakje te krijgen. Mijn te lange haar (ik moet toch echt eens naar de kapper) valt voor mijn ogen en komt gevaarlijk dicht bij de dampende bruine massa. Frodo heeft ondertussen een chocoladebruine labrador gespot en begint aan de lijn te trekken. De kleine Zweedse herder is loops en wil maar één ding. Enkele weken geleden was het nog een onschuldige puppy. Nu begint ze vol overgave te twerken bij iedere hond die langskomt. Kont omhoog, staart opzij. Van subtiliteit is geen sprake.

Terwijl ik de poepzak dichtknoop en tegelijkertijd probeer te verhinderen dat Frodo de labrador (die een teefje blijkt te zijn) verder aanrandt, bedenk ik me dat ik nog veel kan leren van mijn viervoetige vriendinnetje. Niet dat ik nu willekeurige mensen ga bespringen op straat, of een grote hoop ga draaien op het zebrapad, maar wat betreft haar instinct zou ik een voorbeeld aan Frodo kunnen nemen.

Frodo weet namelijk precies wat ze wil. Of het nou gaat om  eten, poepen of de chocoladebruine labrador. Ik wandel ondertussen 28 jaar rond op deze wereld, en ik heb nog steeds geen flauw idee wat ik hier eigenlijk doe.

Volgens Nietzsche is het ons verstand dat ervoor zorgt dat we ons instinct negeren. Aangezien we ons in de moderne westerse samenleving niet meer druk hoeven te maken over hongerige beren, hongersnoden en ijstijden, heeft ons verstand de overhand gekregen. Ons verstand heeft ons als doel gesteld om gelukkig te zijn, maar aangezien ‘geluk’ geen afgebakend iets is blijven we zoeken. Ik in ieder geval wel. Ik betrap me erop dat ik steeds denk; ben ik nu gelukkig? En nu dan? En nu dan?

In mijn zoektocht naar geluk ben ik zo aan het piekeren of ik het wel goed doe, of ik wel op de goede weg ben, dat ik vergeet om gewoon te leven. Om te luisteren naar mijn onderbewuste, ongeacht wat mijn verstand daarvan vindt. Geleefd door een maalstroom van gedachten zie ik niet meer wat echt belangrijk is. Zoals familie, een lieve vriend, en op dit moment een hyperactieve puppy die alles aanrandt wat op vier poten loopt.

Nog steeds in gedachten verzonken veeg ik een lok haar uit mijn gezicht. Te laat besef ik dat ik de volle poepzak nog in mijn hand heb, en terwijl de in plastic verpakte drol langs mijn gezicht strijkt besef ik: poepzakjes met citroengeur zijn de meest nutteloze investering aller tijden.