Verwend

Twee keer per jaar moet ik naar de randstad. Dan racen we in een zo kort mogelijke tijd heen en weer tussen Harlingen, Amsterdam, Den haag en Alphen aan de Rijn om nieuwe collecties in te kopen voor de winkel op Terschelling. Dan verwonder ik me over de ongelooflijke drukte in die wereld van beton en asfalt, en ben ik elke keer weer dolblij als we de afsluitdijk naderen, op weg terug naar het rustige noorden.

Deze zomer komt de randstad naar ons toe. Verwelkomen we een ‘nieuwe soort toeristen’ op Terschelling. Toeristen die anders naar Costa Rica waren gevlogen, of naar Bali, Kaapverdië of de Malediven.

Volgens de Leeuwarder Courant is deze toerist een beetje verwend. Normaal gesproken vliegen ze de hele wereld over om te verblijven in luxe, duurzame ecoresorts maar vanwege de coronacrisis moeten ze noodgedwongen hun heil zoeken in eigen land. Vandaar dat de autodekken van de veerboten al wekenlang volgeboekt zitten en de krappe parkeerplaatsen op Terschelling uitpuilen met dubbel geparkeerde Tesla’s, Volvo’s en glimmende Audi’s.

Doorgewinterde eilandgangers weten allang dat je je auto het beste achter kunt laten op één van de parkeerterreinen in Harlingen. We hebben hier op de Wadden namelijk een veel efficiënter vervoermiddel: de fiets (nee, geen elektrische!). Dit volledig draadloze apparaat brengt je naar het einde van de weg en daar voorbij, en heeft bovendien een positief effect op zowel de fysieke als mentale gesteldheid.

Maar goed, verwend dus. Dit nieuwe type toerist is all-inclusive vakanties gewend en moet nu zelf dingen gaan organiseren. Bij het VVV kantoor komen de globe-trotters verwilderd vragen wat ze moeten doen nu ze alle musea bezocht hebben, en in de winkel zetten mensen grote ogen van teleurstelling op als ik ze vertel dat West-Terschelling slechts twee echte winkelstraten telt.

Een Friese ondernemer suggereert in de krant dat we misschien meer luxe seaview hotels moeten gaan bouwen, zodat deze verwende toeristen volgend jaar misschien nog eens terug komen. Een vreemde suggestie dacht ik, want: moeten we het mooie, rustige en karakteristieke Waddengebied aanpassen om te voldoen aan de grillige wensen van deze ‘toerist nieuwe stijl’? Dit lijkt mij niet. Sterker nog, om deze toeristen verwend te noemen vond ik al enigszins bijzonder. Ben je verwend als je blijkbaar niet meer over de gave beschikt om jezelf te vermaken? Ben je verwend als je de natuurlijke schoonheid van onze prachtige eilanden niet weet te waarderen? Ben je verwend als je zo vervreemd bent van de natuur dat je niet meer durft te dwalen in de duinen en daarom maar blijft rondhangen in het dorp, op zoek naar een park waar je kunt zitten? (true story)  

Het bouwen van luxe seaviewresorts lijkt me dus niet de oplossing. Mijn persoonlijke suggestie? Heropvoedingskampen. Laat onze verwende globetrotters opnieuw kennismaken met de natuur. Leer ze te verdwalen, te ontdekken en te dromen. Laat ze de ultieme vrijheid ervaren op een surfplank in de branding. Geef ze stevige wandelschoenen en laat ze zien dat er een hele wereld bestaat buiten de gebaande paden. Laat ze de magie ervaren van het staren naar een donkere sterrenhemel, vrij van lichtvervuiling en ruis. Laat ze zien dat ‘natuur’ niet enkel een vervelende factor is in het stikstofbeleid, maar een heilzame wereld waarin lichaam en geest kunnen opladen en herstellen.

Investeer dus niet in luxe resorts die onze kustlijnen verpesten, maar zet in op het ervaren en beleven van alles wat het noorden te bieden heeft. Wie weet laten onze verwende globetrotters dan het vliegtuig de volgende keer voor wat het is, verruilen ze de Tesla wat vaker voor de fiets, worden we met zijn allen een fitter en gezonder volk en kunnen we en passant ook nog eens de klimaatdoelen behalen.

Solidariteit

Al wekenlang probeer ik iets op papier te krijgen. Probeer ik me te focussen op het positieve. Probeer ik de tijd die ik nu ineens in overvloed heb te gebruiken voor iets nuttigs. Maar het lukt niet, want ik ben boos.

Boos op de politiek. Boos op China met zijn walgelijke dierenmarkten. Boos op Rutte en Jaap van Dissel met hun onzin over het nieuwe normaal. Boos op de pers met hun hysterische berichten over frontlinies en de extreme crisis die ons te wachten staat. Boos op de curlingmoeders die doen alsof we verschrikkelijke experimenten uitvoeren met hun kroost, omdat de basisscholen weer voorzichtig open mogen. Maar bovenal boos op het volk. Dat iedereen zo in een kramp geschoten is dat we met zijn allen braaf opgehokt zitten toe te kijken terwijl ons land naar de tering wordt geholpen.  

Natuurlijk moeten we de risicogroepen beschermen. Moeten we ervoor zorgen dat de IC-capaciteit niet wordt overschreden. Volgens de politiek kunnen we niet alleen de risicogroep vragen zichzelf te isoleren en is gezondheid belangrijker dan de economie (dat er vrijwel niets gedaan wordt tegen milieuvervuiling – elk jaar goed voor 12.000 doden in Nederland – vind ik dan wel weer bijzonder). Uit solidariteit moeten het met zijn allen doen. Moeten we met zijn allen thuisblijven. Onszelf in een sociaal isolement zetten met alle gevolgen van dien.

Onszelf massaal opsluiten uit solidariteit met de risicogroep is weliswaar een mooi gebaar, maar om nu de hele economie om zeep te helpen uit solidariteit is wellicht iets teveel van het goede. Dan is het totale aantal doden wellicht iets lager, maar zijn er straks geen terrasjes meer om te vieren dat de ellende voorbij is. Zijn er geen theaters en musea meer om naartoe te gaan in onze vrije tijd. Zijn er geen gezellige dorpskernen meer omdat alle kleine ondernemingen kopje onder zijn gegaan.

Kleine ondernemingen die volgens Wiebes ‘in de kern niet gezond zijn’ omdat ze geen tonnen achter de hand hebben om mogelijke pandemieën uit te zitten. Ondernemingen die geen private equity firma’s achter zich hebben. Ondernemingen die het belangrijk vinden dat iedereen in de keten eerlijk betaald krijgt, in plaats van enkel groot geld te verdienen voor de rijken die na elke crisis steevast nog rijker zijn geworden.

Dat miljardenbedrijven als KLM in de problemen zitten is volgens Wiebes dan weer een heel ander verhaal. De mkb’ers krijgen een zakcentje in de vorm van €4000,- maar KLM wordt ‘tegen elke prijs’ overeind gehouden. De Nederlandse vliegtuigbranche stoot immers elk jaar minstens 13 miljard kilo co2 uit en dat moet natuurlijk beloond worden.

Kleine duurzame bedrijfjes moeten omvallen om de grote reuzen overeind te houden. Bevlogen ondernemers die genoegen nemen met een bescheiden salaris – omdat ze het belangrijker vinden dat hun producten op een duurzame en fairtrade manier worden geproduceerd – worden genadeloos opgeofferd. Uit solidariteit. Omdat niet-harkers in de kern toch al niet gezond waren. Nou meneer Wiebes, volgens mij is jouw kern niet gezond.

En dan nog Rutte met zijn belachelijke ‘nieuwe normaal’. ‘Verschillende winkeliers hebben al maatregelen getroffen om toch open te kunnen’ werd er trots verkondigd. Ja. Grote ketens zoals de Bijenkorf, die schaamteloos hun betalingstermijnen excessief verlengen zodat de rekening van deze crisis wederom terecht komt bij de kleine spelers. Deze grote ketens hebben met hun giga-panden de mogelijkheid om zich aan het ‘nieuwe normaal’ aan te passen. Maar de kleine winkeliers? Die mogen maximaal twee of drie mensen tegelijk toelaten wegens hun beperkte aantal vierkante meters. Kunnen ze hiermee de benodigde omzet niet halen? Dan waren ze in de kern vast niet gezond.

En bovendien: als Rutte de zorg niet zo kapotbezuinigd had, hadden we nu een veel minder groot probleem. Dan was er genoeg capaciteit, en voldoende zorgpersoneel om de zieken te verzorgen. In plaats daarvan deelde Rutte liever belastingcadeautjes uit aan multinationals, die nu wederom aankloppen om aanspraak te doen op Nederlandse belastinggelden.

Een buitensporig groot deel van de mkb’ers wordt dus opgeofferd voor de risicogroep. De groep mensen die wegens leeftijd of onderliggend lijden waarschijnlijk toch niet veel tijd meer hadden. De groep waarvan veel leden opgesloten zit in een verzorgingstehuis. In isolatie. Verstoken van sociale contacten. Ondanks alle maatregelen tiert het virus welig in deze verzorgingstehuizen. Je kan je dus af gaan vragen of deze maatregelen eigenlijk wel nut hebben. En bovendien: is het verlengen van de levensduur van deze mensen het wel waard als dit betekent dat ze hun laatste maanden of zelfs jaren moeten doorbrengen in eenzaamheid? Heeft het krampachtig toevoegen van levensjaren nog nut als er van kwaliteit van leven geen sprake meer is?  

Natuurlijk sterven er ook jonge mensen aan het coronavirus. Dat is eng, en verschrikkelijk voor de nabestaanden. Net zo verschrikkelijk als wanneer je vader, moeder, opa of oma overlijdt. Toch moeten we op gegeven moment accepteren dat het risico van de dood bij het leven hoort. Anders kunnen we ook niet meer in de auto stappen, met het vliegtuig gaan of in de bergen wandelen.

Maar dingen in perspectief zien is lastig als de media individuele gevallen extreem blijft uitvergroten. Natuurlijk jaag je daar mensen angst mee aan, maar als je bedenkt dat <0,4% van de bevestigde coronadoden jonger dan 50 jaar was, en minder dan 1% van de besmette mensen boven de 60 daadwerkelijk overlijdt, klinkt het ineens een stuk minder eng.

Uiteraard komt het de politiek goed uit dat de mensen bang zijn. Dan blijven ze immers braaf thuis, en slikken ze alle mededelingen als zoete koek. Dan is er niemand die erop wijst dat er nog steeds amper getest wordt in Nederland, dat de toevoer van beschermingsmiddelen nog steeds niet op orde is, en dat de strategie omtrent groepsimmuniteit een inschattingsfout van astronomische proporties was.

Nee. We blijven allemaal braaf opgehokt zitten. Blijven zonder morren de onzin aanhoren over het ‘nieuwe normaal’ en de ‘anderhalvemetereconomie’. Blijven braaf herhalen dat we dit samen doen, dat we solidair moeten zijn.

Maar wie is er nu solidair met de kinderen die van de radar verdwenen zijn? Die niet de middelen hebben om thuis te leren en zo een nog grotere achterstand oplopen? Wie is er solidair met de mensen met psychische klachten? Die nu wekenlang in isolatie zitten met hun eigen destructieve gedachten, zonder kans op hulp of een troostende arm om hun schouder? En wie is er solidair met de ondernemers? Die hun hart en ziel in hun bedrijf hebben gestoken en nu machteloos moeten toekijken hoe hun faillissement met rasse schreden nadert?

Verstandig

   Afwezig bestudeer ik mijn gehavende handen terwijl de trein door het Nederlandse landschap raast. Het vel op mijn vingertoppen is grotendeels afgesleten door het scherpe kalksteen van El Chorro en de rug van mijn hand wordt gesierd door een spinnenweb van rode krassen.

   In mijn gedachten reis ik terug naar het kleine Spaanse bergdorpje dat ik met elke minuut in de trein verder achter me laat. Ik denk en Jakob en Arthur, in hun kleine bed in de Renault Kangoo. Aan Billy en Andrea, die hun baan opzegden om een jaar te kunnen klimmen en reizen. Ik denk aan Corneel, die al drie maanden in de uitgestrekte bossen onderaan de rotsen leeft om te ontsnappen aan de hectiek van het westerse bestaan. Ik denk aan de Olive Branch, het gezellige klimmershostel waar de stroom zo vaak uitviel. Waar we gitaar speelden en liedjes zongen terwijl de zon zijn laatste stralen op de oranje rotswanden wierp.

   Ik schrik op uit mijn gedachten als een krakerige stem meedeelt dat we dadelijk station Meppel binnen zullen rijden. Naast me zit een vrouw verwoed op haar laptop te tikken. Ze zucht geïrriteerd als ik aanstalten maak om mijn tas te pakken.

   Op het station word ik opgewacht door Pim. Pim de leraar, die wegens vaste schoolvakanties niet mee kon op klimreis. Pim de verstandige, met een vaste baan en een koophuis in een degelijke wijk in Havelte. Pim de lieverd, de betrouwbare arm om mijn schouder waar ik altijd op kan rekenen. Verwoed probeer ik het gevoel dat ik stik weg te slikken. Na een lange omhelzing kijken we elkaar aan. Ik vraag me af of de afstand die ik tussen ons voel te zien is in mijn ogen.

   Ondertussen zijn we vier weken verder. Het huis in Havelte staat te koop, mijn oma heeft zich drie keer omgedraaid in haar graf en mijn schoonmoeder doet heel erg haar best doen om niet allemaal verwensingen naar mijn hoofd te slingeren.

   Ons nieuwe huisje heeft vier wielen en een ronkende dieselmotor. Daarnaast zal een piepklein studiootje op Terschelling dienen als basiskamp. Ruimte voor een vaatwasser is er niet, evenals plek voor de luxe hoekbank van nog geen jaar oud. Ook de comfortabele boxspring belandt op marktplaats, gevolgd door een assortiment aan kasten, stoelen en elektronische apparaten waarvan ik het nut sowieso nooit echt begrepen heb.

   Met elk item dat verkocht wordt voel ik mezelf lichter worden. Alsof de dwangbuis die ik mezelf heb aangetrokken met elke ademteug iets losser komt te zitten. Ik denk aan al die beslissingen die ik in het verleden maakte. Dingen die ik deed ‘omdat het verstandig was’ of ‘omdat het nou eenmaal zo hoort.’ Al die verstandige beslissingen leiden misschien tot een maatschappelijk geaccepteerd leven, maar wat als je erachter komt dat zo’n leven helemaal niet bij je past? Wat als je erachter komt dat al dat bezit alleen maar ballast is dat tussen jou en je vrijheid instaat? De wereld is als een boek. Als je altijd op dezelfde plek blijft, lees je dan niet eigenlijk maar één pagina?

   Ik kijk om me heen in het almaar leger wordende huis en kan alleen maar opluchting voelen. Dit hoofdstuk in mijn boek is ten einde gekomen. En ik? Ik kan niet wachten om de pagina om te slaan, op zoek naar nieuwe verhalen om de lege bladzijden mee te vullen.

Hersenspinsels

 ‘Ik begrijp hoe de maatschappij werkt en voel mezelf een onderdeel hiervan’ aldus één van de vele stellingen waaraan ik een score moet geven. 1=helemaal mee oneens en 5=helemaal mee eens.

De klok in de hoek tikt zachtjes door, aan de muur hangen kaartjes met motiverende spreuken, en voor me zit de psycholoog afwezig naar haar telefoon te staren. Vandaag is onze laatste afspraak. De online vragenlijst voor me moet aangeven hoe het staat met mijn gesteldheid. Of ik weer zonder begeleiding mag rondzwerven in onze samenleving.

Ik aarzel. Als ik 1 invul, zou de psycholoog dan vaststellen dat het nog steeds niet goed met me gaat? Zou ik dan terug moeten komen, net zolang tot ik me op mijn gemak voel als klein radartje in de grote machine die de Nederlandse maatschappij vormt?

Zuchtend sluit ik een compromis met mezelf en klik op 3: neutraal. Het probleem is niet dat ik de maatschappij niet begrijp. Ik begrijp heel goed hoe de Nederlandse samenleving in elkaar steekt. Wat ik echter niet snap is waarom iedereen braaf het pad blijft volgen dat de politiek al jarenlang voor ons heeft uitgesleten. Is het omdat het makkelijk is? Omdat we het echt willen? Of omdat we zo diep zijn weggezakt in de groeven van het pad dat we er niet meer uit kunnen klimmen?

Hoe je het ook wendt of keert, we leven in een prestatiemaatschappij waarin succes wordt bepaald door status en bezit. Een groot huis, een dure auto en een prestigieuze titel als het even kan. Elke maand gaan we braaf kromliggen om de prijs van deze successen te kunnen betalen. Omdat het zo hoort, omdat het nou eenmaal zo werkt.

Maar is dat wel zo?

Steeds vaker komen er verhalen naar boven van mensen die het anders doen, die het materialisme vaarwel zeggen en ruimte maken voor dingen die ze echt belangrijk vinden. De tiny-house beweging is hier een goed voorbeeld van, maar helaas komt dit initiatief tergend langzaam van de grond.

Als je het vertikt om maandelijks gebukt te gaan onder hoge huurprijzen of hypotheeklasten wordt je al gauw de illegaliteit in gedrukt. In Nederland ben je vrij, maar alleen als je je conformeert aan de dwangbuis van de hedendaagse samenleving. Als je een alternatief hebt gevonden dat wel bij je past (bijvoorbeeld het wonen in een bus, om maar iets te noemen), loop je al gauw tegen verschillende problemen aan. Zoals de verplichting om een adres te hebben. Zonder adres vervalt op gegeven moment je stemrecht en kan zelfs je zorgverzekering stopgezet worden. Zelfs als je al die jaren braaf betaald hebt. Nederland zit niet te wachten op mensen die buiten de lijntjes kleuren.

Ik merk dat ik nog steeds naar het scherm zit te staren, verzonken in mijn innerlijke monoloog (is dat wel normaal?). Plotseling overtuigd wis ik mijn antwoord en vervang het door 1: Helemaal mee oneens. Ik voel mij niet thuis in deze maatschappij. Niet in een maatschappij waarin mensen zich over de kop werken om maar te voldoen aan alle verwachtingen. Niet in een maatschappij waarin je je moet ketenen aan een adres en de bijkomende lasten, ‘omdat het zo hoort’. Ik ga mijn best doen om uit de groeven van het uitgesleten pad te klimmen, en dat klimmen? Laat ik daar nou juist heel goed in zijn.

De geschiedenis van de knuffelpenis

In het stukje ‘over mij’ heb ik het over een knuffelpenis. Frodo en haar knuffelpenis om precies te zijn. Kennissen met een psychologenachtergrond verwonderden zich over dit verhaal. Symboliseerde de knuffelpenis een groot gemis in mijn leven? Of bevond ik me misschien in een vergevorderd stadium van penisnijd?

Helaas moet ik jullie vertellen dat geen van deze gevallen van toepassing zijn. Alhoewel het me in sommige gevallen verdomd handig lijkt om staand te kunnen plassen, ervaar ik het niet hebben van zo’n bungelend ding tussen mijn benen niet echt als een probleem in mijn dagelijkse leven. Ook op persoonlijk vlak heb ik niet echt behoefte aan extra piemels. Ook al schijnt polygamie in opkomst te zijn, het lijkt mij alleen maar heel erg ingewikkeld. Dat heeft op zich niet zozeer te maken met de geslachtsdelen zelf, meer met de man en bijbehorende persoonlijkheid die doorgaans aan zo’n penis vast zit. Maar ik dwaal af.

De historie van de knuffelpenis begint in het jaar 2008. Op 17 september om precies te zijn. De heer Pim V. vierde op deze dag zijn 18e verjaardag. Nu was hij niet meer kleine Pimmetje, maar een volwassen man. Uiteraard moest dit heugelijke feit gevierd worden met cadeautjes. In dit geval een enorme knuffelpenis en een selectie bijpassende natuurfilms.

We kunnen enkel gissen naar de omzwervingen die de knuffelpenis daarna heeft gemaakt. Wat we wel weten is dat hij zich elf jaar later ineens in een doos in onze hal bevond. De vader van Pim was zijn huis aan het opruimen, en kwam daarbij nog enkele attributen uit Pim’s verleden tegen. Enthousiast pakte Pim het grote roze ding op en trok aan het vergeelde koordje dat aan de onderkant bungelde. ‘Aw, vroeger trilde hij nog’ merkte hij teleurgesteld op waarna hij het lid weer in de doos deponeerde.

Frodo en haar trouwe vriend

Frodo sloeg het hele gebeuren geïnteresseerd gade en keek met glinsterende oogjes naar het topje van het knuffelapparaat dat nog net zichtbaar was. Voorzichtig zette ze haar puppytandjes erin en trok hem met een ferme ruk uit de doos. De rest van de middag heeft ze dolenthousiast door het huis gerend. De knuffelpenis stuiterde vrolijk achter haar aan.

Sindsdien waren Frodo en de knuffelpenis onafscheidelijk. Overal moest hij mee naartoe. Elke ochtend duwde ze het ding liefdevol in mijn gezicht als ik mijn koffie probeerde te drinken. Hij moest mee met onze wandelingen, er moest mee gegooid worden. Met een uitgestreken gezicht probeerde ik dan de verbaasde blikken van voorbijgangers te negeren terwijl ik het lid met een grote boog door de lucht zwiepte.

Helaas waren deze wandelingen ook de laatste hoogtepunten voor de knuffelpenis. Zijn zachte stof bleek namelijk niet bestand tegen Frodo haar scherpe tandjes. Na enkele weken begon hij te scheuren en verspreidde de vulling witte pluizige wolkjes op het tapijt. Pim, die al meerdere kapotgescheurde hondenspeeltjes gerepareerd had, constateerde met een zucht dat Frodo’s trouwe vriend niet meer te naaien was. De geschiedenis van de knuffelpenis heeft dus een vrij tragische afloop. Hoewel hij zich vrij lang staande heeft gehouden, eindigde hij toch, samen met Frodo’s andere slachtoffers, in de kliko.

Gelukkig heeft Frodo geen problemen met polygamie. Ze heeft ondertussen de liefde verklaard aan beertje, groen konijn, kaas, en haar laatste aanwinst: eend. Lang heeft ze dus niet getreurd om het verlies van de knuffelpenis, er staat immers altijd wel weer een nieuw vriendje in de rij waar ze haar tanden in kan zetten. Heeft ze ze allemaal verslonden? Dan zoekt ze gewoon een nieuw vriendje uit bij de intratuin. Het leven kan zo simpel zijn.

Kom op, we zijn beter dan dat

Ik kijk altijd minzaam en enigszins medelijdend naar nieuwsitems over voetbal. Vanochtend weer: bij amateur wedstrijden in de jeugdklasse, zijn er beveiligers nodig om de veiligheid van de (in dit geval jonge-) scheidsrechters te waarborgen. De supportende ouders willen namelijk nog wel eens een kindscheidsrechter in elkaar trappen. Daarnaast is racisme op de tribunes een terugkerend fenomeen, en bevindt de sport zich qua emancipatie nog in de 19e eeuw. Je hoort het: ik ben geen fan van voetbal.

Ik was stiekem altijd een beetje trots op onze klimgemeenschap. Een gemeenschap waarin iedereen welkom is en geaccepteerd wordt. Een gemeenschap waarin een beginner die een 5b aan het klimmen is net zo hard wordt aangemoedigd als een klimmer in een 8c, en waarin het niet uitmaakt of je groot/klein/jong/oud/homo of hetero bent. Of man of vrouw, we zijn immers beter dan de voetballers niet?

Mijn frustratie was dus groot toen ik het item van de NOS zag over het NK speedklimmen van vorige week zaterdag. Ruim drie minuten besteedde de NOS aan de opkomende klimsport. Goede reclame natuurlijk, maar waar waren de dames die meededen? Waarom werd niet gemeld dat Elbrich Schoorstra het Nederlandse vrouwenrecord heeft verbroken? Waarom werd er alleen gesproken over twintig mannen die naar de Olympische spelen mogen?

In een verklaring meldde de NOS dat het item zich wilde richten op de regerend Nederlands kampioen. Dat het item geen wedstrijdverslag was, maar een introductie van de sport, en dat het niveau van Jules Kluwer hen aansprak. Een zeer politiek correct antwoord, en natuurlijk is het hun journalistieke vrijheid om te bepalen hoe een item eruit komt te zien.

Toch ben ik van mening dat het vooral bij een introductie van de sport belangrijk is om te laten zien dat er ook vrouwen meedoen. Dat er ook vrouwen zijn die snoeihard trainen om records te verbreken. Dat je geen man hoeft te zijn om aan onze fantastische sport mee te kunnen doen.

Laten we alsjeblieft niet in dezelfde valkuilen trappen als de voetballers. Laten we alsjeblieft vanaf het allereerste begin zien dat klimmen ook een sport is voor iedereen. Laten we alsjeblieft niet pas na jaren aandacht besteden aan het feit dat er ook professionele klimsters zijn, zoals gebeurd is bij het damesvoetbal. Laten we alsjeblieft ook vertellen dat er twintig vrouwen naar de Olympische spelen gaan. Niet pas na jaren, maar nu.

Het pas ingevoerde vrouwenquotum illustreert dat we het met alleen goede bedoelingen niet redden. We moeten consequent, vanaf dag één, laten zien dat klimmen ook een sport is voor dames. Noem me irritant, noem me een feminazi, maar elke keer dat de klimsport neergezet wordt als een mannensport zal ik erop wijzen dat dit niet zo is.

De geschiedenis leert dat gelijkheid niet vanzelf komt. We moeten ervoor vechten. Niet later, maar nu. Zodat ik ook in de toekomst, nog steeds minzaam en enigszins medelijdend naar de voetbalnieuwsitems kan kijken.

Frodo versus Koffie

Mag ik alsjeblieft even mijn koffie opdrinken?! Roep ik door het huis. Ik hoor zelf de smekende ondertoon in mijn stem. Frodo zit me met een scheef koppie aan te kijken, oortjes gespitst. Een verder antwoord hoef ik niet te verwachten.

Vandaag is mijn vrije dag. Toen ik vanochtend mijn ogen opendeed had ik nog heerlijke visioenen van een rustig ochtendje met een bak hete koffie in mijn hand, en een goed boek op mijn schoot. Zo’n 10 minuten later heb ik geen boek maar puppiekots op mijn benen liggen (meestal kokhalst Frodo eerst ter waarschuwing, maar dit salvo kwam volkomen onverwacht), en begint de koffie bruine vlekken te vormen op de nieuwe bank. 

Poging twee.  De kots is opgeruimd, ik heb nog één broek gevonden die voor ‘schoon’ kan doorgaan en de vlekken in de bank.. Laten we het daar maar niet over hebben. Met mijn ogen dicht neem ik een slok van mijn -inmiddels niet meer zo hete- koffie. De heerlijke geur van gebrande koffiebonen dringt mijn neus binnen en ik laat de donkere vloeistof rondwalsen in mijn mond alsof het een dure wijn is.

Zweedse Herder Frodo
De kleine harige draak

Ik schrik van een klein grommetje: ze hoeft toch niet weer te spugen? Maar nee, Frodo zit me met een scheef koppie aan te kijken. Ik ken die blik: er moet gepoept worden. ‘Mag ik alsjeblieft, alsjeblieft eerst even mijn koffie opdrinken?’ smeek ik haar. Daar zit ik dan. Een strong, independent woman (nouja, zo zie ik mezelf graag), in discussie met een kleine harige draak van amper tien kilo. Vastbesloten blijf ik zitten. Ik ben de baas, en ik bepaal wanneer er gewandeld wordt, zoals ik heb geleerd van de vele boeken over honden en hun gedrag. Terwijl ik mijn best doe om autoriteit uit te stralen springt Frodo  op de rugleuning van de bank en gaat in mijn nek liggen. Kijk, het werkt! Stel ik blij vast. Ik wil net nog een slok koffie nemen als ik een zacht pffffffrt hoor, pal naast mijn oor. Mijn neus registreert de geur voordat mijn brein doorheeft wat er zojuist is gebeurd.

Zuchtend sta ik op en ga op zoek naar de hondenriem. Niet veel later stap ik met een enthousiast kwispelende Frodo de vrieskou in. Ik had gehoopt op een rustige ochtend met hete koffie, net als dat ik had gehoopt vandaag iets goeds te kunnen schrijven, iets moois, iets met een boodschap misschien wel. Maar zo werkt het helaas niet, steeds opnieuw kom ik erachter dat het leven nooit gaat zoals je het gepland had. Het leven is rommelig, het leven stinkt en spuugt op je, maar eigenlijk -bedenk ik terwijl ik Frodo vrolijk door de bevroren heide zie springen- is dat best oké.   

Koffie, spleetklimmen en een rochelende bus

Morrend doe ik mijn ogen open en steek ik mijn hoofd uit mijn dikke donzen slaapzak. Mijn adem vormt wolkjes en op het raam van mijn camperbusje zie ik kleine ijskristallen. Even overweeg ik om te blijven liggen in mijn warme coconnetje, maar zoals elke ochtend begint mijn brein meteen te schreeuwen om cafeïne.

   In het vroege ochtendlicht bekijk ik de chaos op het bedbankje. Ik vind mijn versleten wollen trui tussen de karabiners, klimsetjes en de klimgordel die ik de vorige avond gedachteloos heb neergesmeten. Terwijl ik aan het rommelen ben met de cafetière hoor ik vlak naast mijn busje een rits opengaan. De geur van koffie heeft Cesar uit zijn tent gelokt.

   Niet veel later parkeer ik de rochelende Volkswagen op de parkeerplaats bij het klimgebied. We zijn vandaag bij de sector Kottenheimer Winfeld, nabij het Duitse plaatsje Ettringen. De zon schijnt en de ijskristallen zijn gesmolten. Het felle licht wordt gefilterd door de kruinen van de oude eikenbomen en werpt een groene waas over het verder verlaten parkeerterrein. Nadat we ons materiaal bij elkaar hebben gezocht verdwijnen we tussen de bladeren. Op zoek naar het beloofde land, in de vorm van metershoog ruw basalt.

    Na een korte wandeling staan we voor ons project van die dag. Eén perfecte rotsspleet loopt verticaal naar boven, ernaast bevinden zich enkele kleine randjes die mogelijk als voet- of handgreepjes kunnen dienen.

   Grijnzend kijk ik Cesar aan, en vraag me af of de twinkeling in zijn ogen ook in de mijne te zien is.

   ‘Dat ziet er hard uit.’

   ‘Ja, mooie spleet.’

   ‘Die randjes lijken me ook best naar.’

   ‘Inderdaad, lekker sketchy allemaal zo te zien.’

Weer die pretoogjes van hem.

   ‘Jij eerst of ik?’

   Daar sta ik dan. Mijn rechtervoet heeft zich vastgedraaid in de spleet, terwijl de vingers van mijn linkerhand hun uiterste best doen om een messcherp randje vast te houden. Ik kijk naar beneden, mijn laatste zekerpunt zit zo’n vier meter onder me. Zat die cam[1] nou goed of niet? Hij leek goed vast te zitten, maar ik betwijfel of hij een val van minstens acht meter zal houden.

   Ik voel een bekende kriebel in mijn borst, een kriebel die al mijn spieren op spanning zet. Alsof al mijn zintuigen in de hoogste versnelling staan. Elke trillende spier, elk zenuwuiteinde, alles voel ik terwijl ik verwoed probeer een volgende cam in de rots te plaatsen.

   ‘Neee f*ck. Deze past niet. K(*&%$W#T. Waarom doe ik dit. Ik haat mezelf. Mijn voet glijdt weg, ik hou dit niet meer. BLIJF ZITTEN KRENG.’

   Eindelijk heb ik de goede maat gevonden, en grijpen de randen van de zekering zich vast in de rots. Ik clip het touw in de snapper[2] en probeer mijn ademhaling weer onder controle te krijgen. De angst is weer geslonken tot een kleine bal in mijn borst. Waar ik hem kan relativeren, weg kan stoppen. Waar ik niet naar hem hoef te luisteren.

   Want is dat niet waarom ik klim? Waarom ik de uiterst nutteloze kunst beoefen van het bestijgen van een stuk steen? Gewoon naar boven is niet genoeg. Nee. Het moet via de moeilijkst mogelijke weg, via de meest onwaarschijnlijke uitstulpingen in de rots, die voor een leek nauwelijks waarneembaar zijn.

   Klimmen dwingt me in het hier en nu. In een wereld waarin alle comfort mijn zintuigen heeft afgestompt, een wereld die geregeerd wordt door bliepjes en schermpjes, klim ik om mezelf terug te vinden. Om de verbinding met mijn lichaam te herstellen. Ik kijk de angst in de ogen, en overwin hem, overwin mezelf. Elke keer opnieuw.    

   Eenmaal boven clip ik het touw vast aan de standplaats. Mijn hoofd is leeg. De innerlijke storm is gaan liggen. Een merel zingt in de boom achter me, en ik kijk naar de schaduwen van dansende bladeren op mijn armen.

   ‘Blok!’ roep ik naar beneden.

 Weer op de grond krijg ik een fist-bump van een breed grijnzende Cesar.

‘Sterk meid! Zag er goed uit.’

    ‘Dank je, was wel even spannend daarboven.’

   ‘Dat kon ik zien ja. Trouwens, ik zat naar die route hiernaast te kijken. Een 7a volgens mij. Wat denk je?’

Ik voel mijn mondhoeken omkrullen tot een glimlach.

   ‘Jij eerst of ik?’  


[1] Mobiele zekering die gebruikt wordt bij rotsklimmen.

[2] Soort karabiner.

Wat betekent klimmen (of een andere sport) voor jou? Laten het weten in een reactie!

Ja maar, dat is een meisje!

‘Ja maar, dat is een meisje!’

Bam. Weg focus. Mijn hand glipt van het messcherpe randje dat ik probeer vast te houden en met een schreeuw van frustratie zeil ik zo’n acht meter naar beneden voordat het touw zich straktrekt en mijn val breekt. Met opeengeklemde kaken staar ik naar de rots voor me. Ik moet me inhouden om niet iets lulligs naar beneden te roepen.

Het jongetje, stomverbaasd dat er ook vrouwelijke rotsklimmers bestaan, wordt ondertussen meegetrokken door zijn rood aangelopen moeder. Ik bevind me te hoog op de rotswand om haar reactie te kunnen verstaan. Zuchtend richt ik mijn concentratie weer op Nishiki Alien, één van de vele klimroutes die het Luxemburgse Berdorf rijk is. Het lukt me echter niet om terug in de flow te komen. Mijn bewegingen zijn harkerig en de irritatie in mijn binnenste begint aan te voelen als een sneeuwbal die almaar groter wordt naarmate hij begint te rollen.

De opmerking is namelijk niet een opzichzelfstaand iets. Telkens wanneer mijn vriend en ik aan het klimmen zijn krijgen we te maken met dergelijk commentaar. Waar mijn vriend blijkbaar voldoet aan het ‘klimmersplaatje’ – breedgeschouderd, flinke spierballen – kijken mensen mij – iele bouw, dunne armpjes – doorgaans verbaasd aan als ze erachter komen dat ik niet alleen maar mee ben om te zekeren.

De meeste opmerkingen zijn goedbedoeld, maar ergens is dat nog wel het ergste. Van: ‘Oh, maar dan brengt hij het touw zeker naar boven?’ tot: ‘Zo, jij hebt vast ergens een stel ballen verstopt!’. De heersende opvatting is nog steeds dat ‘stoere’ sporten vooral mannensporten zijn. Ben je een stoere vrouw? Dan wordt dat alsnog toegeschreven aan mannelijke eigenschappen.  

De vooroordelen zijn overigens niet beperkt tot de klimsport. Overal in de buitensport zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. Tijdens mijn werk als kajakinstructeur in Slovenië waren omstanders geregeld verrast als er een grote bos krullen onder mijn helm vandaan kwam, en een activiteitenbureau waar ik werkte zette me steevast achter het bureau neer. Klanten kregen liever instructie van jonge jongens, stelden ze, en kantoorwerk was meer geschikt voor vrouwen. Je zult begrijpen dat ik hier niet lang in dienst ben gebleven.

Het steekt, dat geef ik eerlijk toe. Nederland predikt gelijkheid, maar ondertussen wordt de loonkloof alleen maar groter, moeten we het recht op abortus ineens opnieuw verdedigen, en kunnen kleine jongetjes het niet bevatten dat vrouwen ook kunnen klimmen.

Waar ik eerst geloofde dat die gelijkheid er vanzelf wel zou komen – we hebben immers allemaal een gezond verstand, dacht ik – begin ik er steeds meer aan te twijfelen of we wel op de goede weg zijn. De opmerking van het jongetje maakt pijnlijk duidelijk dat vooroordelen al op zeer jonge leeftijd gevormd worden. Of het nou ligt aan de tekenfilms waarin prinsessen gered moeten worden door een stoere prins, of de schoolboeken waarin vrouwen nog altijd verpleegsters zijn en mannen wetenschapper, ergens gaat het fout.  Er moet iets veranderen, en wij vrouwen zullen het zelf moeten afdwingen.

Volgende keer als iemand me vraagt waar ik mijn ballen heb verstopt zal ik uitleggen dat zo’n slingerende zak tussen je benen helemaal niet handig is als je je teen naast je oor probeert te zetten, dat kleine vingers veel handiger zijn bij het vasthouden van kleine randjes, en dat de meest iconische rotswand ter wereld (The Nose, Yosemite) voor het eerst is vrijgeklommen door, jawel: een vrouw.

Verstand, instinct en hitsige puppies

‘Dat er zoveel poep uit zo’n klein beestje kan komen’ denk ik verwonderd terwijl Frodo met een gelukzalige blik in haar ogen een grote hoop aan het draaien is. Midden op het zebrapad. Aarzelend blijf ik staan, de naar citroen geurende poepzak in mijn hand. Van twee kanten beginnen auto’s te toeteren, en de langslopende toeristen kijken me misprijzend aan terwijl ze zorgvuldig hun rolkoffertjes om de hoop heen manoeuvreren.  

Met een rood hoofd probeer ik snel zoveel mogelijk poep in het plastic zakje te krijgen. Mijn te lange haar (ik moet toch echt eens naar de kapper) valt voor mijn ogen en komt gevaarlijk dicht bij de dampende bruine massa. Frodo heeft ondertussen een chocoladebruine labrador gespot en begint aan de lijn te trekken. De kleine Zweedse herder is loops en wil maar één ding. Enkele weken geleden was het nog een onschuldige puppy. Nu begint ze vol overgave te twerken bij iedere hond die langskomt. Kont omhoog, staart opzij. Van subtiliteit is geen sprake.

Terwijl ik de poepzak dichtknoop en tegelijkertijd probeer te verhinderen dat Frodo de labrador (die een teefje blijkt te zijn) verder aanrandt, bedenk ik me dat ik nog veel kan leren van mijn viervoetige vriendinnetje. Niet dat ik nu willekeurige mensen ga bespringen op straat, of een grote hoop ga draaien op het zebrapad, maar wat betreft haar instinct zou ik een voorbeeld aan Frodo kunnen nemen.

Frodo weet namelijk precies wat ze wil. Of het nou gaat om  eten, poepen of de chocoladebruine labrador. Ik wandel ondertussen 28 jaar rond op deze wereld, en ik heb nog steeds geen flauw idee wat ik hier eigenlijk doe.

Volgens Nietzsche is het ons verstand dat ervoor zorgt dat we ons instinct negeren. Aangezien we ons in de moderne westerse samenleving niet meer druk hoeven te maken over hongerige beren, hongersnoden en ijstijden, heeft ons verstand de overhand gekregen. Ons verstand heeft ons als doel gesteld om gelukkig te zijn, maar aangezien ‘geluk’ geen afgebakend iets is blijven we zoeken. Ik in ieder geval wel. Ik betrap me erop dat ik steeds denk; ben ik nu gelukkig? En nu dan? En nu dan?

In mijn zoektocht naar geluk ben ik zo aan het piekeren of ik het wel goed doe, of ik wel op de goede weg ben, dat ik vergeet om gewoon te leven. Om te luisteren naar mijn onderbewuste, ongeacht wat mijn verstand daarvan vindt. Geleefd door een maalstroom van gedachten zie ik niet meer wat echt belangrijk is. Zoals familie, een lieve vriend, en op dit moment een hyperactieve puppy die alles aanrandt wat op vier poten loopt.

Nog steeds in gedachten verzonken veeg ik een lok haar uit mijn gezicht. Te laat besef ik dat ik de volle poepzak nog in mijn hand heb, en terwijl de in plastic verpakte drol langs mijn gezicht strijkt besef ik: poepzakjes met citroengeur zijn de meest nutteloze investering aller tijden.